DOSSIERS
Alle dossiers

Overige  

IEF 23622

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum

'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 11 jun 2026, IEF 23622; C/09/703674 ((Coty tegen Petite Mort)), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/geinspireerd-door-bekende-parfummerken-en-gebruik-van-producttags-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".

IEF 23616

UItspraak ingezonden door Anne Bekema, AC&R.

Hof bekrachtigt verbod op verspreiding Zwartboek Lentekriebels: beschuldigingen aan Rutgers onvoldoende onderbouwd

Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 ((Civitas c.s. tegen Rutgers)), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/hof-bekrachtigt-verbod-op-verspreiding-zwartboek-lentekriebels-beschuldigingen-aan-rutgers-onvoldoende-onderbouwd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 (Civitas c.s. tegen Rutgers). In deze zaak tussen Civitas en Stichting Rutgers stond de vraag centraal in hoeverre Civitas zich in het publieke debat kritisch mocht uitlaten over de Week van de Lentekriebels en het door Rutgers ontwikkelde lesmateriaal. Civitas had in het door haar gepubliceerde Zwartboek Lentekriebels Rutgers in verband gebracht met pedofilie en gesteld dat Rutgers kinderen bewust zou seksualiseren. De voorzieningenrechter had eerder de verdere verspreiding van het Zwartboek verboden, diverse uitlatingen verboden verklaard en dwangsommen opgelegd. Civitas stelde tegen dat vonnis hoger beroep in. Het hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat Civitas vanuit haar christelijke overtuiging scherpe kritiek mag uiten op seksuele voorlichting en de inhoud van het lesmateriaal. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst bieden daarvoor ruimte. Die vrijheden zijn echter niet onbeperkt. Volgens het hof gaat het hier om zeer ernstige beschuldigingen die Rutgers in verband brengen met pedofilie en met het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen. Voor dergelijke aantijgingen is een stevige feitelijke grondslag vereist. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat ideologisch of religieus gemotiveerde, ook felle waardeoordelen over de wenselijkheid van het lesmateriaal in beginsel wél binnen de beschermingsomvang van deze vrijheden kunnen vallen, zolang zij niet onnodig grievend zijn en niet ontaarden in ongefundeerde feitelijke beschuldigingen. Die grondslag ontbreekt volgens het hof. De kwalificaties in het Zwartboek zijn niet louter waardeoordelen, maar worden gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen. Het hof maakt daarbij onderscheid tussen kritiek op seksuele voorlichting, het uitdragen van de opvatting dat bepaald lesmateriaal onwenselijk is en de beschuldiging dat Rutgers kinderen bewust zou aanzetten tot seksuele handelingen. Met name die laatste beschuldiging kwalificeert het hof als een feitelijke aantijging die slechts kan worden geuit indien daarvoor voldoende steun bestaat in de feiten. De door Civitas aangevoerde passages uit het lesmateriaal rechtvaardigen de ernst van die beschuldigingen niet. Het hof legt daarbij gewicht op het totaalbeeld dat door het Zwartboek wordt opgeroepen: niet alleen de gebruikte termen, maar ook de manier waarop fragmenten zijn geselecteerd en gepresenteerd, draagt volgens het hof bij aan een misleidend, onnodig beschadigend beeld. Volgens het hof opereert Rutgers weliswaar in een maatschappelijk gevoelig domein en moet zij daarom een grotere mate van kritiek dulden, maar hoeft zij zich niet neer te leggen bij ongefundeerde uitlatingen die haar integriteit en professionele reputatie aantasten. Daarbij benadrukt het hof dat deelnemers aan het publieke debat zorgvuldig moeten omgaan met bronmateriaal. Het selectief of onvolledig weergeven van passages uit lesmateriaal kan een misleidend beeld oproepen. Het hof wijst daarom nadrukkelijk op het belang van nauwkeurig en zorgvuldig citeren. Het hof geeft daarbij aan dat juist in een gepolariseerd maatschappelijk debat extra zorgvuldigheid is vereist bij het weergeven van citaten, omdat anders het publiek een vertekend beeld krijgt van wat daadwerkelijk in het lesmateriaal staat.

IEF 23610

Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam

Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 ((VNV tegen [gedaagde])), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/rb-noord-holland-verbiedt-het-opnieuw-verspreiden-van-ernstige-beschuldigingen-en-legt-een-contactverbod-op

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.

IEF 23118

Republiek c.s. niet-ontvankelijk: geen algemene schending van art. 6 EVRM door procedures van de Koning

Hof Den Haag 2 sep 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/republiek-c-s-niet-ontvankelijk-geen-algemene-schending-van-art-6-evrm-door-procedures-van-de-koning

Hof Den Haag 2 september 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.). Het Gerechtshof Den Haag behandelt het hoger beroep van Vereniging Republiek en Stichting De Republikein tegen de Staat en de gemachtigde van de Koning. Republiek c.s. stellen dat journalisten geen eerlijk proces (art. 6 EVRM) kunnen krijgen wanneer de Koning tegen hen procedeert, doordat de Koning volgens hen via 19 wettelijke, procedurele en symbolische aspecten te veel verweven is met de rechtspraak (zoals rol bij benoeming van rechters, “in naam van de Koning” op uitspraken, portret in de zaal). Zij vroegen daarom o.a. een verklaring voor recht dat dit systeem art. 6 EVRM schendt, een bevel aan de Staat om dit te herstellen, en een verbod voor de Koning om nog tegen de pers te procederen totdat eerlijke berechting is gegarandeerd. In eerste aanleg waren De Republikein en (deels) Republiek al niet-ontvankelijk verklaard en waren de overige vorderingen afgewezen.

IEF 23077

Motie van treurnis en gedragscode: gemeente handelt rechtmatig, vorderingen afgewezen

Rechtbank Limburg 12 nov 2025, IEF 23077; ECLI:NL:RBLIM:2025:11167 ([eiseres] tegen de gemeente), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/motie-van-treurnis-en-gedragscode-gemeente-handelt-rechtmatig-vorderingen-afgewezen

Rb. Limburg 12 november 2025, IEF 23077; ECLI:NL:RBLIM:2025:11167 ([eiseres] tegen de gemeente). De kantonrechter Maastricht oordeelt dat de Gemeente Eijsden-Margraten rechtmatig handelt rond een motie van treurnis tegen een (voormalig) raadslid. Aanleiding is een Facebook-bericht waarin het raadslid de wethouder “zelfverheerlijking” verwijt en een koppeling met verkeersdoden suggereert. De rechter stelt vast dat de raad de motie in het openbaar mag behandelen omdat daarvoor voldoende feitelijke basis bestaat, dat de burgemeester binnen zijn rol blijft en dat het daaropvolgende vooronderzoek volgens de Gedragscode Integriteit zorgvuldig en vertrouwelijk verloopt. Dat “stap 1” uit art. 7.8 van de gedragscode niet plaatsvindt, maakt het optreden niet onrechtmatig; stap 1 is niet in alle gevallen verplicht.

IEF 23068

PVO schendt ‘niet-negatief’-afspraak niet

Hof Amsterdam 4 nov 2025, IEF 23068; ECLI:NL:GHAMS:2025:2920 ([appellant] tegen PVO), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/pvo-schendt-niet-negatief-afspraak-niet

Hof Amsterdam 4 november 2025, IEF 23068; ECLI:NL:GHAMS:2025:2920 ([appellant] tegen PVO). Het Hof Amsterdam bevestigt het eerdere vonnis: de eisen van [appellant] tegen Stichting Persoonlijk VO (PVO) worden afgewezen. Het ging om twee zinsneden die PVO’s advocaat zei in een zitting over een huurconflict (over een allonge die de huur tot 2030 zou verlengen) en die de PZC later opschreef: “de schijn van belangenverstrengeling” en “de erfenis van [appellant]”. [appellant] vond dat dit in strijd was met een afspraak uit 2023 om elkaar niet negatief te bejegenen. In hoger beroep draaide het alleen nog om die contractafspraak; een beroep op art. 6:167 BW lag niet meer op tafel.

IEF 23054

Hof bevestigt onrechtmatig handelen door ex-partner ondernemer via lasterlijke e-mails

Hof Arnhem-Leeuwarden 21 okt 2025, IEF 23054; ECLI:NL:GHARL:2025:6528 ([appellante], MaMoMo c.s. tegen [geïntimeerde]), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/hof-bevestigt-onrechtmatig-handelen-door-ex-partner-ondernemer-via-lasterlijke-e-mails

Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, IEF 23054; ECLI:NL:GHARL:2025:6528 ([appellante], MaMoMo c.s. tegen [geïntimeerde]). [geïntimeerde] en [partner appellante] hadden in het verleden een zakelijke en affectieve relatie. [partner appellante] is inmiddels gehuwd met [appellante]. Sinds 2019 zijn er meer dan dertig gerechtelijke procedures gevoerd tussen [geïntimeerde] enerzijds en [partner appellante], zijn bedrijven en later ook [appellante] anderzijds, grotendeels naar aanleiding van beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde]. De onderhavige zaak draait om de vraag of [appellante] en haar vennootschappen MaMoMo c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerde]. De rechtbank Overijssel oordeelde van wel en legde [appellante] en MaMoMo c.s. een uitingsverbod op, onder dwangsom (ECLI:NL:RBOVE:2023:2423). [appellante] stelt in hoger beroep dat het vonnis vernietigd moet worden; [geïntimeerde] vordert in incidenteel appel juist een ruimer uitingsverbod. 

IEF 22008

Publicaties in krant over politicus zijn niet onrechtmatig

Gerechtshoven 23 apr 2024, IEF 22008; ECLI:NL:GHAMS:2024:1036 (NRC c.s. tegen geïntimeerde), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/publicaties-in-krant-over-politicus-zijn-niet-onrechtmatig

Hof Amsterdam 23 april 2024, IT 4536, IEF 22008; ECLI:NL:GHAMS:2024:1036 (NRC c.s. tegen geïntimeerde). Geïntimeerde was in de periode van 1999 tot 2005 werkzaam als wethouder en van 2005 tot 2023 Tweede Kamerlid. NRC en De Limburger hebben in hun krant en op hun website artikelen geplaatst over een grondtransactie en een vergunning voor het bouwen van een woning, waarbij geïntimeerde zou zijn bevoordeeld. Geïntimeerde bestrijdt dat hij is bevoordeeld en vraagt een verklaring voor recht dat de beschuldiging onrechtmatig is, een bevel de beschuldiging niet meer te uiten, rectificatie en een schadevergoeding. NRC c.s. betwist dit en stelt dat zij zeer zorgvuldig onderzoek gedaan heeft en dat de uitingen die voorliggen voldoende steun in de feiten vinden. Zij voert aan dat er sprake is van belangenverstrengeling van overheidsfunctionarissen en dat nu juist een actueel onderwerp van het publieke debat is.

IEF 15648

Publicatie ERGA-rapporten “The protection of minors in a converged environment” en “Material jurisdiction in a converged environment”

CvdM, Publicatie ERGA-rapporten “The protection of minors in a converged environment” en “Material jurisdiction in a converged environment”, 27 januari 2016
Uit het persbericht: De Europese groep van toezichthouders van audiovisuele media (ERGA*), die in 2016 onder Nederlands voorzitterschap van prof. mr. dr. Madeleine de Cock Buning staat, heeft twee rapporten gepubliceerd. Het eerste rapport gaat over de bescherming van minderjarigen tegen media-aanbod met een schadelijk karakter in een wereld waarin grenzen tussen de klassieke media en de sterk groeiende online media, vervagen. Het tweede rapport gaat over de vraag welke reikwijdte de Europese Richtlijn voor audiovisuele mediadiensten (Audiovisual Media Services Directive) zou moeten krijgen gelet op de snelle ontwikkelingen in het medialandschap.

Beide rapporten bevatten aanbevelingen gericht op de komende herziening van de Europese regels. In het ERGA-rapport over bescherming van minderjarigen wordt vastgesteld dat door de snelle verspreiding van smartphones, tablets etc. in combinatie met steeds grotere en snellere toegankelijkheid tot het internet, kinderen veel kwetsbaarder worden. Ouders in alle Europese landen maken zich grote zorgen over deze ontwikkelingen voor hun kinderen. Op dit moment worden traditionele televisie-uitzendingen strenger gereguleerd dan video-on-demand aanbod (zoals films en series op aanvraag en uitzending gemist- achtige diensten). Gelet op de enorm toegenomen populariteit van diensten die worden aangeboden op internet en bekeken op smartphone of tablet, is dat onderscheid in regulering niet langer verdedigbaar.

Daarnaast valt media-aanbod, dat met name wordt verspreid via sociale media, nu buiten de regulering van de Richtlijn. Om te waarborgen dat minderjarigen bij het gebruik van sociale media worden beschermd zou de EU de ontwikkeling door de industrie van efficiënte, toegankelijke technische middelen moeten stimuleren. Zo kunnen minderjarigen worden beschermd tegen alle soorten van audiovisueel media-aanbod met een schadelijk karakter, ongeacht het distributieplatform waarmee dat wordt aangeboden, de uitzendtechniek of het apparaat dat wordt gebruikt om het aanbod te bekijken. Er zou volgens Madeleine de Cock Buning, die de ERGA-werkgroep over bescherming van minderjarigen leidde, “een goed beschermingssysteem met duidelijke ondergrenzen moeten komen voor heel Europa dat toekomstbestendig is en rekening houdt met de culturele verschillen tussen de lidstaten.”

De snelle ontwikkelingen in het medialandschap spelen ook een belangrijke rol bij de vraag of de reikwijdte van de huidige Europese Richtlijn moet worden aangepast. De redactioneel verantwoordelijke professionele media partijen zijn op dit moment aanspreekbaar op  overtredingen van mediawetgeving. Maar welke rol spelen eigenlijk de zogeheten intermediairs en gatekeepers? Ofwel marktpartijen zoals digitale portal beheerders en elektronische programmagidsen die een sleutelrol vervullen bij het verschaffen van toegang tot audiovisueel media aanbod. Moeten die ook wettelijk aanspreekbaar zijn op het nakomen van bepaalde verplichtingen? Om tegemoet te komen aan de groeiende behoefte aan voorspelbaarheid bij zowel consumenten als de audiovisuele aanbieders en toezichthouders, beveelt ERGA in zijn tweede rapport aan dat de Europese Commissie hierover helderheid schept en rekening houdt met de uitgangpunten van techniekneutraliteit en platformonafhankelijkheid.

*De afkorting ERGA staat voor European Regulators Group for Audiovisual Media Services

Link naar ERGA-press release: https://ec.europa.eu/digital-agenda/news-redirect/28613

IEF 15509

Commissie OCW spreekt met deskundigen over wijziging Mediawet

Persbericht: De commissie voor OCW hield op dinsdag 8 december van 9.30 tot 12.00 uur in de plenaire vergaderzaal een deskundigenbijeenkomst over de bij de Eerste Kamer aanhangige wijziging van de Mediawet voor het toekomstbestendigmaken van de publieke mediadienst. De bijeenkomst is onderdeel van de voorbereiding van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel. Die zal mogelijk nog dit jaar en anders begin volgend jaar plaatsvinden; hierover moet nog een besluit genomen worden. De commissie levert op 15 december aanstaande inbreng voor het (nader voorlopig) verslag.

Het programma van de bijeenkomst is als volgt:
Sessie 1
- Nico van Eijk, hoogleraar informatierecht IViR
- Huub Wijfjes, bijzonder hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie;
- Henk Hagoort, voorzitter raad van bestuur NPO;
- Jack de Vries, voorzitter ROOS;
- Henri Swinkels, gedeputeerde cultuur provincie Noord-Brabant.

Sessie 2
-  Jan Slagter, voorzitter Omroep MAX;
- Gerard Timmer, voorzitter college van omroepen;
- Dick van der Graaf, directeur vereniging Onafhankelijke Televisie Producenten;
- Joop Daalmeijer, voorzitter Raad voor Cultuur;
- Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ.

De bijeenkomst is openbaar en wordt ook uitgezonden via de livestream van de Eerste Kamer. Na afloop wordt een video van de bijeenkomst op YouTube geplaatst. Personen en organisaties die een schriftelijke reactie op het wetsvoorstel willen geven, kunnen een e-mail sturen naar postbus@eerstekamer.nl

  • 1
  • 2
  • 1 - 10 van 12