Mediarecht  

IEF 23622

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum

'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 11 jun 2026, IEF 23622; C/09/703674 ((Coty tegen Petite Mort)), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/geinspireerd-door-bekende-parfummerken-en-gebruik-van-producttags-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".

IEF 23617

Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin

Rechtbank Gelderland 6 jun 2026, IEF 23617; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 ((de zussen tegen [gedaagden])), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/rb-gelderland-geen-preventief-verbod-op-boek-over-zedenzaak-binnen-gezin

Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.

IEF 23616

UItspraak ingezonden door Anne Bekema, AC&R.

Hof bekrachtigt verbod op verspreiding Zwartboek Lentekriebels: beschuldigingen aan Rutgers onvoldoende onderbouwd

Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 ((Civitas c.s. tegen Rutgers)), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/hof-bekrachtigt-verbod-op-verspreiding-zwartboek-lentekriebels-beschuldigingen-aan-rutgers-onvoldoende-onderbouwd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 (Civitas c.s. tegen Rutgers). In deze zaak tussen Civitas en Stichting Rutgers stond de vraag centraal in hoeverre Civitas zich in het publieke debat kritisch mocht uitlaten over de Week van de Lentekriebels en het door Rutgers ontwikkelde lesmateriaal. Civitas had in het door haar gepubliceerde Zwartboek Lentekriebels Rutgers in verband gebracht met pedofilie en gesteld dat Rutgers kinderen bewust zou seksualiseren. De voorzieningenrechter had eerder de verdere verspreiding van het Zwartboek verboden, diverse uitlatingen verboden verklaard en dwangsommen opgelegd. Civitas stelde tegen dat vonnis hoger beroep in. Het hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat Civitas vanuit haar christelijke overtuiging scherpe kritiek mag uiten op seksuele voorlichting en de inhoud van het lesmateriaal. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst bieden daarvoor ruimte. Die vrijheden zijn echter niet onbeperkt. Volgens het hof gaat het hier om zeer ernstige beschuldigingen die Rutgers in verband brengen met pedofilie en met het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen. Voor dergelijke aantijgingen is een stevige feitelijke grondslag vereist. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat ideologisch of religieus gemotiveerde, ook felle waardeoordelen over de wenselijkheid van het lesmateriaal in beginsel wél binnen de beschermingsomvang van deze vrijheden kunnen vallen, zolang zij niet onnodig grievend zijn en niet ontaarden in ongefundeerde feitelijke beschuldigingen. Die grondslag ontbreekt volgens het hof. De kwalificaties in het Zwartboek zijn niet louter waardeoordelen, maar worden gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen. Het hof maakt daarbij onderscheid tussen kritiek op seksuele voorlichting, het uitdragen van de opvatting dat bepaald lesmateriaal onwenselijk is en de beschuldiging dat Rutgers kinderen bewust zou aanzetten tot seksuele handelingen. Met name die laatste beschuldiging kwalificeert het hof als een feitelijke aantijging die slechts kan worden geuit indien daarvoor voldoende steun bestaat in de feiten. De door Civitas aangevoerde passages uit het lesmateriaal rechtvaardigen de ernst van die beschuldigingen niet. Het hof legt daarbij gewicht op het totaalbeeld dat door het Zwartboek wordt opgeroepen: niet alleen de gebruikte termen, maar ook de manier waarop fragmenten zijn geselecteerd en gepresenteerd, draagt volgens het hof bij aan een misleidend, onnodig beschadigend beeld. Volgens het hof opereert Rutgers weliswaar in een maatschappelijk gevoelig domein en moet zij daarom een grotere mate van kritiek dulden, maar hoeft zij zich niet neer te leggen bij ongefundeerde uitlatingen die haar integriteit en professionele reputatie aantasten. Daarbij benadrukt het hof dat deelnemers aan het publieke debat zorgvuldig moeten omgaan met bronmateriaal. Het selectief of onvolledig weergeven van passages uit lesmateriaal kan een misleidend beeld oproepen. Het hof wijst daarom nadrukkelijk op het belang van nauwkeurig en zorgvuldig citeren. Het hof geeft daarbij aan dat juist in een gepolariseerd maatschappelijk debat extra zorgvuldigheid is vereist bij het weergeven van citaten, omdat anders het publiek een vertekend beeld krijgt van wat daadwerkelijk in het lesmateriaal staat.

IEF 23610

Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam

Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 ((VNV tegen [gedaagde])), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/rb-noord-holland-verbiedt-het-opnieuw-verspreiden-van-ernstige-beschuldigingen-en-legt-een-contactverbod-op

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.

IEF 23580

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/podcast-over-restitutie-roofkunst-niet-onrechtmatig-jegens-mondex-en-haar-oprichter

Rb. Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC). De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat NRC met de achtdelige podcastserie Hier hing een schilderij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mondex en haar oprichter [eiser 2]. De podcast reconstrueert de restitutie van het schilderij Bild mit Häusern aan de erfgenamen van de voormalige eigenaar. Mondex en [eiser 2] stelden dat NRC een onjuist, tendentieus en grievend narratief had gecreëerd, waarin zij zouden worden neergezet als partijen die profiteren van restitutie van roofkunst, onder meer door verwijzingen naar termen als “ambulance chaser”, “premiejager”, “holocaustindustrie” en “Shoah business”. De rechtbank stelt voorop dat het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid op grond van artikel 10 EVRM moet worden afgewogen tegen het belang van Mondex en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam, waarbij artikel 6:162 BW het wettelijke aanknopingspunt vormt voor een eventuele beperking van die uitingsvrijheid. Daarbij weegt zwaar dat restitutie van roofkunst, het functioneren van het restitutiebeleid en de commerciële bijstand aan rechthebbenden of erfgenamen onderwerpen van publiek belang zijn. NRC kwam daarom ruime journalistieke en redactionele vrijheid toe om daarover kritisch, informerend en opiniërend te publiceren. Het beroep van [eiser 2] op artikel 8 EVRM slaagt niet, omdat de gewraakte uitlatingen zien op zijn professionele hoedanigheid bij Mondex en onvoldoende is onderbouwd dat zijn privéleven daardoor zodanig is geraakt dat artikel 8 EVRM bescherming biedt.

IEF 23558

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026, IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.

IEF 23546

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF 23546; ECLI:EU:C:2026:395 ((Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni) ), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/hvj-eu-geeft-duidelijkheid-over-vergoeding-voor-nieuwscontent-op-platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23481

Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx

Geen preventief publicatieverbod tegen Follow the Money bij voorgenomen, nog onbekende publicatie

Rechtbank Amsterdam 13 apr 2026, IEF 23481; ECLI:NL:RBAMS:2026:3786 (Accuraat tegen FTM), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/geen-preventief-publicatieverbod-tegen-follow-the-money-bij-voorgenomen-nog-onbekende-publicatie

Rb. Amsterdam 13 april 2026, IEF 23481; ECLI:NL:RBAMS:2026:3786 (Accuraat tegen FTM). In dit kort geding vorderde Accuraat Begeleid Wonen B.V. dat Follow the Money (FTM) zou worden verboden een voorgenomen artikel over haar te publiceren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wees die vordering af. Vooropgesteld werd dat toewijzing van die vordering een inbreuk zou maken op de vrijheid van FTM om zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te laten over kwesties die in de publieke belangstelling staan. Zo’n beperking van de persvrijheid is alleen toelaatbaar als het belang van Accuraat om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan verdachtmakingen en onterechte aantasting van haar goede naam zwaarder weegt. De bijzonderheid in deze zaak was echter dat het ging om een voorgenomen publicatie, waarvan de inhoud nog niet vaststond. Een publicatieverbod vooraf komt neer op censuur en is in een democratische samenleving slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk, namelijk wanneer publicatie tot onherstelbare schade zal leiden en die schade niet meer kan worden weggenomen door een maatregel achteraf, zoals rectificatie.

IEF 23465

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23465; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.