Term "lijkt een oplichter" niet onrechtmatig
Rechtbank Den Haag 10 april 2013, LJN BZ9355 (Sports 24 tegen B)
Mediarecht. Onrechtmatige publicatie op internet door gebruik term "lijkt een oplichter"? Afwijzing. Het staat een ieder in beginsel vrij om zich kritisch uit te laten over ervaringen met personen/organisaties, daarover een mening te geven en op internet te plaatsen. Daarbij dienen de grenzen van de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid niet te worden overschreden. Bij de beoordeling wordt in aanmerking genomen dat het hier gaat om een publicatie op internet, waarvoor enerzijds geldt dat voor het kennisnemen daarvan in de regel nodig zal zijn dat een zoekterm wordt ingevuld die leidt tot een “hit” met de website en/of de publicatie, maar anderzijds dat deze publicatie op internet blijft staan totdat deze wordt verwijderd en dat verwijdering niet zonder meer betekent dat de publicatie daarna niet anders/elders te raadplegen is.
[B] heeft toegelicht dat de publicatie is ingegeven door zijn eigen ervaring met een webwinkel van [A] en bij naspeuringen op internet bleek dat er meer klanten waren die soortgelijke ervaringen hadden. Het beeld ontstond van het duperen van consumenten, door bestellingen waarvoor was betaald niet te leveren en evenmin de koopprijs te restitueren.
Hoewel het voor de gemiddelde lezer duidelijk moet zijn dat B niet bedoelt te stellen dat A een oplichter is, maar dat lijkt te zijn, geldt ook voor het op deze manier gebruiken van de term “oplichter” dat dit een zware beschuldiging is die niet lichtvaardig moet worden geuit. Gezien het vermoeden van oplichting, en het (absolute) aantal gedupeerde klanten en de lange en kennelijk nog steeds voortdurende periode van wanpresteren, is de term “lijkt een oplichter” in de publicatie geen overschrijding van de zorgvuldigheid. De vorderingen worden afgewezen.
4.8 Wat [A] cs naar voren hebben gebracht laat de kern van het verwijt van [B] overeind, namelijk dat gedurende een lange periode vele klanten letterlijk voor niets betalen, omdat de betaalde bestelling niet wordt geleverd en de koopprijs ook niet wordt terugbetaald of - als dat gebeurt - maanden na dato en na grote inspanningen van de kopers. Deze klanten zijn ontegenzeggelijk gedupeerd.
Daarnaast heeft dit geleid tot het beschamen van het vertrouwen van deze klanten, dat in het bijzonder aan de orde is bij het kopen bij webwinkels. Het voorgaande kan het gevolg zijn van een slechte bedrijfsvoering, maar evenzeer van welbewust handelen met het vooropgezette plan om klanten te laten betalen voor iets dat nooit wordt geleverd.
De in de publicatie beschreven (niet adequate) reactie op berichten van [B] kan het gevolg zijn van beide opties, en kan dus, net als het duperen van klanten, (mede) grondslag vormen voor het door [B] in zijn publicatie geuite vermoeden van oplichting. Gelet hierop en gezien het (absolute) aantal gedupeerde klanten en de lange en kennelijk nog steeds voortdurende periode waarin dit aan de orde is, heeft [B] met de term “lijkt een oplichter” in de publicatie de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen grenzen van zorgvuldigheid niet overschreden. De ontegenzeggelijk daardoor veroorzaakte reputatieschade van [A] cs, die onweersproken hebben gesteld dat de klachten zien op een relatief klein deel van het totale aantal bestellingen, weegt niet op tegen het belang dat is gediend met het op deze manier in de publicatie aan de kaak stellen van het gedurende lange tijd duperen van klanten.
Op andere blogs:
MediaReport (Beschuldiging door gedupeerde consument van “vermoedelijke oplichting” kan door de beugel)
Als randvermelding. Fiscaal. Belastingen. Royalty vergoeding uit octrooien. Deel van de cassatie slaagt. Belanghebbende heeft in de jaren 1990 t/m 1992 onderzoek verricht aan A in Engeland en was in die jaren niet in Nederland woonachtig. Met A heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten op grond waarvan patenten die het resultaat waren van zijn verrichte onderzoeksactiviteiten, aan A toekwamen. In die overeenkomst is tevens opgenomen dat aan belanghebbende een beloning kon toekomen voortvloeiend uit de commerciële uitbating van die patenten door A. In 2001 en 2005 is aan belanghebbende in verband met die uitbating door A een bedrag aan royalty's toegekend en uitbetaald. De inspecteur heeft voormelde royalty's tot belanghebbendes inkomen uit werk en woning gerekend. Belanghebbende betrekt het standpunt dat het bedrag niet belast is als inkomen uit werk en woning vanwege het ontbreken van een bron van inkomen. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat de inkomsten toegerekend moeten worden aan een vast middelpunt in Engeland en dat daarom artikel 12, lid 3, van het belastingverdrag moet worden toegepast.
Uitspraak ingezonden door Paul Mazel,
Uitspraak is door de redactie van rechtspraak.nl ingetrokken en zal niet weer worden geplaatst. Als randvermelding. Onrechtmatige publicaties/uitlatingen. Positie domeinnaamhouder. Geen inbreuk portretrecht.
Als randvermelding. Contractenrecht en exclusiviteitsrechten. Sodeic heeft van het jaar 2003 tot en met mei 2010 producten van Romi Smilfood c.s. in Congo geïmporteerd. Het betrof voornamelijk margarine van het merk Topper. Een grote bestelling wordt geplaatst, maar niet betaald en dus niet geleverd. Romi Smilfood c.s. heeft op 17 of 18 november 2010 een (nieuw) exclusiviteitscontract gesloten met Société DD Services SARL met betrekking tot het merk Topper.
Exclusieve levering. Contractenrecht. Octrooirecht. Nokia heeft met ST een Parts Purchase Agreement gesloten. Uitgangspunt in die overeenkomst is dat voor Nokia gemaakte producten, High Amplitude Audio Capturing Microphones, niet aan anderen verkocht mogen worden. Nokia heeft ST uitgenodigd om een aanbod te doen tot ontwikkeling en productie van een nieuw soort microfoon. Daarbij is aan de aanbieders toegezegd dat een exclusiviteit van een jaar zou gelden. Hoewel ST in eerste instantie niet als leverancier is geselecteerd is zij wel met de ontwikkeling begonnen en later alsnog leverancier geworden. Zij heeft de microfoons behalve aan Nokia ook aan HTC geleverd.
Uitspraak ingezonden door Willem De Vos en Bart Van Den Brande,
Uitspraak ingezonden door Sander Dikhoff en Gaico Bos, 


Uitspraak ingezonden door Martin Hemmer en Roderick Chalmers Hoynck van Papendrecht,