Afname van biometrische gegevens van verdachten, motiveringsplicht en strafbaarstelling van weigering onder Richtlijn 2016/680
HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23438; ECLI:EU:C:2026:219 (Comdribus). In het arrest Comdribus verduidelijkt het Hof van Justitie de voorwaarden waaronder bevoegde autoriteiten op grond van Richtlijn (EU) 2016/680 biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en foto’s, mogen verzamelen van personen die op één of meer gronden redelijk worden verdacht van het plegen of trachten te plegen van een strafbaar feit. Het Hof stelt voorop dat biometrische gegevens bijzondere categorieën persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 10 van de richtlijn en daarom slechts mogen worden verwerkt wanneer die verwerking, naast een wettelijke grondslag en passende waarborgen, strikt noodzakelijk is. Die eis moet, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a tot en met c, en artikel 8 van de richtlijn, bijzonder strikt worden uitgelegd: de doeleinden van de verwerking moeten specifiek, concreet en voldoende nauwkeurig in het nationale recht zijn omschreven, en de verwerking moet voldoen aan de beginselen van doelbinding, proportionaliteit en dataminimalisatie. Het enkele feit dat iemand redelijk wordt verdacht van een strafbaar feit volstaat dus niet om te veronderstellen dat afname van biometrische gegevens noodzakelijk is. Daarom verzet artikel 10 van de richtlijn zich tegen nationale wetgeving die voorziet in de systematische verzameling van biometrische gegevens van iedere verdachte, tenzij vaststaat dat het nationale recht de concrete doeleinden van die verzameling voldoende precies bepaalt én dat de bevoegde autoriteit in elk individueel geval moet beoordelen of de verzameling strikt noodzakelijk is, zodat juist geen sprake is van automatische of ongedifferentieerde toepassing. Daarnaast oordeelt het Hof, onder verwijzing naar artikel 4, lid 4, en artikel 54 van de richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 Handvest, dat nationale wetgeving ook onverenigbaar is met het Unierecht indien zij niet voorschrijft dat de bevoegde autoriteit in elk concreet geval voldoende motiveert waarom de afname van biometrische gegevens strikt noodzakelijk is; alleen dan kan de betrokkene zijn rechten doeltreffend uitoefenen en kan de rechter de rechtmatigheid van de maatregel daadwerkelijk toetsen.