DOSSIERS
Alle dossiers

Diversen  

IEF 15338

Auteursrechtdebat: Linken naar illegaal bloot - openbaarmaking of niet?

Door: Yasar Çelebi. Esther van Duin, Osiris Fecunda, Alex Garrelfs, Talin Ghazarian, Laura Pavias. Thema: Hyperlinken&embedden. Op 27 oktober 2011 werd door nieuwssite GeenStijl een link online geplaatst naar een website met daarop naaktfoto’s van Britt Dekker. De betreffende foto’s zouden in het decembernummer van de PlayBoy [1] verschijnen en moesten tot de publicatiedatum ‘geheim’ blijven. De foto’s waren echter zonder toestemming van PlayBoy online geplaatst, waarna GeenStijl enthousiast naar de vindplaatsen bleef verwijzen, ondanks herhaaldelijke verzoeken van Playboy hiermee te stoppen. Dit heeft tot een procedure geleid waarin de Hoge Raad uiteindelijk een aantal prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft gesteld [2]. Deze komen inhoudelijk neer op de vraag of GeenStijl een mededeling aan het publiek doet door te linken naar content, die zonder toestemming van de rechthebbende, eerder elders of op een moeilijk vindbare plaats, op het internet stond. Daarbij wil de Hoge Raad weten of het relevant is dat GeenStijl op de hoogte kon zijn dat de content illegaal was [3].

Stand van zaken
Het HvJ heeft zich nog niet eerder uitgelaten over de vraag of hyperlinken naar illegale content is toegestaan. Het HvJ heeft in de Svensson-zaak namelijk slechts bepaald dat (hyper)linken naar legale content op een voor het publiek vrij toegankelijke website toegestaan is, mits er geen beschermingsmaatregelen op de bronwebsite zijn getroffen.4 Interessant in deze uitspraak is dat het HvJ een nieuwe invulling lijkt te geven aan het criterium ‘nieuw publiek’. In Svensson lijkt het HvJ in paragraaf 27 een vertaalslag te hebben gemaakt van een subjectief naar een meer objectief criterium. Dit kan worden afgeleid uit de opmerkingen ‘moeten worden beschouwd als’ en ‘door de houders van het auteursrecht in aanmerking werd genomen’[5].

Voor welke benadering het HvJ uiteindelijk kiest, blijft onduidelijk. In de zaak BestWater had het HvJ de kans om op te helderen of het linken naar illegale content is toegestaan, maar helaas heeft het HvJ zich daar niet over uitgelaten [6]. Nu is het afwachten hoe het HvJ zal oordelen over de prejudiciële vragen die door de Hoge Raad zijn gesteld in GeenStijlMedia/Sanoma.

In het onderstaande stuk strijden studenten aan beide kanten over hun visie op hoe de problematiek omtrent het hyperlinken moet worden aangepakt. De objectieve en subjectieve benadering passeren de revue. Beide opties hebben voor- en nadelen. Lees en oordeel zelf…

De objectieve benadering [7]
Vrije nieuwsgaring en vrij karakter internet
Deze benadering is uitgewerkt door Osiris, Yasar en Alex. De hyperlinker bereikt ons inziens geen nieuw publiek door een hyperlink te plaatsen naar illegale content op een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek vrij toegankelijke website. Een subjectieve benadering zou namelijk inhouden dat elke persoon die een hyperlink wil plaatsen onderzoek dient te doen naar de herkomst van de content. Op het internet worden dagelijks talloze links geplaatst, wat er toe heeft bijgedragen dat internet vandaag de dag is wat het is, een complex wereldwijd netwerk van miljoenen computers. Door de verantwoordelijkheid bij de linker neer te leggen, wordt de vrije nieuwsgaring en het vrije karakter van het internet aangetast. Men kan niet van elke individuele linker/internetter verwachten dat deze, vóór het plaatsen van een hyperlink, eerst op onderzoek uitgaat naar de herkomst van de content waarnaar hij wil verwijzen. De persoon die de content voor het eerst, zonder toestemming van de rechthebbende, op het internet heeft geplaatst moet aangesproken worden door de rechthebbende. Hoewel dit in de praktijk niet altijd kan, is dit wel degene die de content openbaar maakt aan een nieuw publiek, namelijk het algemene internetpubliek. De hyperlinker bereikt helemaal geen nieuw publiek, hij verwijst enkel naar iets dat al elders openbaar gemaakt is. Het maakt daarbij niet uit of content toegankelijk is via een zoekmachine (zoals Google, Yahoo) of niet, zolang de content op het internet is geplaatst, blijft de hyperlink slechts een verwijzing.

Dit is anders wanneer de foto’s van Britt Dekker ergens op een server zouden staan, beveiligd met een wachtwoord, waardoor deze enkel voor de rechthebbende(n) bereikbaar waren. Alleen dan zijn wij van mening dat de website niet voor het algemene internetpubliek vrij toegankelijk is. Het HvJ heeft in Svensson bepaald, dat wanneer in een dergelijk geval een handige internetter zo’n beveiligingsmaatregel weet te omzeilen en middels de hyperlink ook andere gebruikers langs de beveiliging loodst, wel sprake is van een auteursrechtelijk openbaarmaking en daarmee een inbreuk oplevert.

Aanpassing van ‘nieuw publiek’ criterium?
Ons inziens verricht de persoon die linkt naar illegale content op een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek toegankelijke website, geen auteursrechtelijk relevante openbaarmaking. Dit geldt voor de individuele hyperlinkers en voor sites zoals GeenStijl, die tot doel hebben (sensatie)nieuws te verspreiden. Een puur objectieve interpretatie hoeft hiermee geen onwenselijke gevolgen te hebben. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke website als the Pirate Bay met het verspreiden van auteursrechtelijk materiaal niet weg mag komen.

Gekeken moet worden naar de kernfunctie van de website in kwestie. Wanneer bijvoorbeeld op de website van GeenStijl de hyperlinks naar inbreukmakende content worden verwijderd – de link naar foto’s van Britt Dekker - dan blijft er een website over met nieuwsartikelen. Dit is de kernfunctie van GeenStijl: het verzorgen van (sensatie)nieuws. Bij websites als The Piratebay of Mininova geldt dit niet: wanneer op deze websites de hyperlinks naar inbreukmakende content worden verwijderd, blijft er een lege website over met al dan niet door de beheerder van de website zelf geüploade illegale bestanden. Hierdoor kan een onderscheid gemaakt worden tussen websites die als doel informatieverspreiding hebben en websites die puur inbreuk makende content proberen te verspreiden onder het mom van “informatievrijheid”.

Als we dit toepassen op eerdere gerechtelijke uitspraken met betrekking tot dit onderwerp, zoals Brein/Mininova [8] en FTD/Eyeworks [9] kunnen we concluderen dat dit een deugdelijk concept is. Legitieme zoekmachines, die actief bezig zijn met het weren van auteursrechtelijke inbreuken, komen door deze zojuist gecreëerde toets. Zij proberen namelijk auteursrechtelijk inbreukmakend materiaal te weren. Dit in tegenstelling tot Torrentsites, zoals the Pirate Bay die zich wellicht enigszins inmengen met de inhoud, maar deze inmenging zich niet richt op het verwijderen van illegale content. Op deze manier worden massale inbreuken tegen gegaan, terwijl de informatievrijheid behouden blijft.

Ook in uitspraken als FTD/Eyeworks zal dit criterium voor eenzelfde conclusie zorgen, namelijk dat er sprake is van inbreuk, want als al het auteursrechtelijk inbreukmakend materiaal wordt verwijderd, dan blijft er weinig tot geen content over.

Een andere mogelijkheid: De rechter kan oordelen dat het structureel faciliteren van auteursrechtinbreuk maatschappelijk onzorgvuldig is en gelet hierop sprake is van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Een beroep op het auteursrecht is echter ons inziens te prefereren boven de onrechtmatige daad, aangezien het auteursrecht is ingegeven door Europese regelgeving en daarom vrijwel is geharmoniseerd in de lidstaten. Dit in tegenstelling tot de onrechtmatige daad, welke niet binnen de Europese Unie is geharmoniseerd en op grond van de Nederlandse wetgeving een beperkte omvang kent in de handhavingsmogelijkheden. Zo kan middels het intellectuele eigendomsrecht een verbod worden opgelegd zonder dat de inbreukmaker wordt gehoord, en tegelijkertijd kan men een volledige proceskostenveroordeling bedingen. [10] Daar het internet gekenmerkt wordt door zijn grenzeloze karakter, lijkt het ons wenselijker om voor laatstgenoemde route te kiezen. Bijkomend voordeel is dat deze in verschillende landen op enigszins vergelijkbare wijze bewandeld kan worden.

Voor de Britt Dekker zaak betekent dit dus dat de oplossing via het auteursrecht gevonden kan worden. Door het objectieve criterium te hanteren komen wij tot de conclusie dat er geen sprake is van een mededeling aan een nieuw publiek door GeenStijl. De content was immers al voor iedereen toegankelijk vanaf het moment dat deze op de server staat. Het feit dat de rechthebbende (PlayBoy) geen op openbaring gerichte intentie had doet hier niets aan af. Daarnaast was er in deze kwestie geen sprake van een uitzondering waardoor er wel een openbaarmaking plaatsvond, zoals de omzeiling van een paywall. Ook heeft GeenStijl geen verdienmodel dat enkel gebaseerd is op het faciliteren van de verspreiding van illegale content. De website heeft een verdienmodel dat gericht is op het vergaren van inkomsten middels advertenties bij hun nieuwsberichten. De door ons voorgestelde uitzondering waardoor de rechter wel een subjectief criterium moet toepassen gaat dus niet op. De rechter moet het objectieve criterium toepassen op deze zaak. Er is geen sprake van een openbaarmaking aan een nieuw publiek.

De subjectieve benadering[11]
Illegale content in het licht van de individuele casuïstiek
Hierboven werd toegelicht waarom het objectieve criterium als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Wij, Talin, Laura en Esther, zijn het hier echter niet mee eens en kiezen voor een andere benadering. In het geval van de Britt Dekker-zaak heeft Playboy geen toestemming gegeven aan GeenStijl om de foto’s te gebruiken en daardoor maakt GeenStijl ons inziens inbreuk op de auteursrechten van Playboy. De vraag of linken naar illegale content is toegestaan, moet ons inziens beantwoord worden aan de hand van de individuele casuïstiek. Elke situatie, waarin sprake is van linken naar illegale content kent ons inziens een zogenaamde T-splitsing. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval moet het linken naar illegale content al dan niet worden toegelaten.

Hier volgen twee casus ter illustratie:
Casus 1
Op dit moment draait de film ‘Mission: Impossible - Rogue Nation’ in de Nederlandse bioscopen. Tegelijkertijd is de film verkrijgbaar via het platform van ‘The Pirate Bay’. Een derde slaagt erin te linken naar deze illegale content. Dit is overduidelijk uit den boze. De rechthebbende van de film kan immers nooit hebben beoogd dat de film illegaal op het internet zou worden geplaatst om aldaar gratis te worden bekeken. Door de mogelijkheid om de film gratis online te kijken wordt het minder aantrekkelijk voor filmmakers te investeren in de filmproducties, omdat de kans om het geld terug te verdienen afneemt. Hierdoor wordt de actuele markt belemmerd. Kortom: bij een dergelijke situatie is sprake van een auteursrechtelijke relevante inbreuk welke gefaciliteerd wordt door het platform van de ‘The Pirate Bay’ en is het linken naar illegale content niet toegestaan.

Hyperlinken naar illegale content ‘no go area’
Evident in deze casus is het feit dat de betrokkene die middels een hyperlink naar deze content verwijst, wist dan wel redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat in het onderhavige geval sprake is van illegale content. Op het moment dat de betreffende film nog in de bioscoop draait, mag verondersteld worden dat men weet dat de online geplaatste film van een illegale bron afkomstig is. In dat geval vormt het linken naar deze illegale content een inbreuk. In dit verband zou gekeken kunnen worden naar een vergelijkbaar vraagstuk binnen het strafrecht. Dit kan leiden tot nieuwe inzichten met betrekking tot het oplossen van de geschetste problematiek. Ten aanzien hiervan kan namelijk een vergelijking worden getrokken met het toetsingskader van de delicten opzetheling, als bedoeld in artikel 416, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) en schuldheling, als bedoeld in artikel 417 bis, Sr. Ook ten aanzien daarvan gaat het om de vraag of men wist, dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat het gekochte goed van diefstal afkomstig was. Dit toetsingskader leent zich bij uitstek voor de casuïstiek ten aanzien van het linken naar illegale content. Voorts wordt in dit verband ook verwezen naar het wetsvoorstel dat op 28 juli 2010 is ingediend door voormalig minister Hirsch Balin, waarin heling van computergegevens [12] strafbaar wordt gesteld [13]. De wetgever gaat hierin een stap verder en is van mening dat in dergelijke gevallen niet alleen sprake kan zijn van een auteursrechtelijke inbreuk, maar in voorkomende gevallen ook van een strafbaar feit.

Casus 2
Stel dat Carice van Houten een nieuwe hobby heeft en met veel plezier een mindfulness column schrijft in haar eigen tijdschrift ‘Hout van Carice’. Om nog meer faam te verwerven plaatst zij haar columns op haar eigen website, die algemeen voor het publiek toegankelijk is. Iedereen mag haar columns lezen en ‘liken’. Nu maakt Carice gebruik van een handige tool op haar website. Zij uploadt een conceptversie van haar column op de website die alleen raadpleegbaar is op het moment dat men de exacte link daarvan weet. Dit laatste is nog niet geïndexeerd door een zoekmachine als Google. Het is haar intentie niet om de column te delen, maar door de content op deze wijze op het internet te plaatsen maakt zij deze wel toegankelijk voor het internetpubliek. Wanneer een derde een beetje handig is met computers, dan is het achterhalen van een dergelijke link zeer eenvoudig. Mocht een derde dan hyperlinken naar de conceptversie van de column, dan kan dit worden gezien als hyperlinken naar illegale content. De vraag is echter of bij de beoordeling hiervan meegewogen zou moeten worden dat Carice geen gebruik heeft gemaakt van een beschermingsmechanisme om de conceptversie van de column af te schermen van/voor het internetpubliek.

Hyperlinken naar illegale content; van ‘no go area’ naar ‘you’re welcome’
Bovenstaande casus is een voorbeeld van een situatie waarin het subjectieve criterium niet zonder meer op zou gaan. Er is wel sprake van linken naar illegale content, de rechthebbende heeft immers niet beoogd deze te delen, maar er wordt geen inbreuk gemaakt. Een dergelijke situatie deed zich daadwerkelijk voor bij de Miljoenennota van 2012. De miljoenennota was weliswaar verborgen, maar doordat deze op een onbeveiligde site was geplaatst toch voor iedereen toegankelijk [14].

In deze casus heeft de rechthebbende zelf ook een aandeel in het feit dat de betreffende content op illegale wijze openbaar is geworden. In een dergelijke situatie kan geredeneerd worden dat de mate waarin sprake is van een inbreuk, door naar deze illegale content te linken, genuanceerd moet worden. De inbreuk kan dan niet of niet volledig aan de hyperlinker, alsook de bron waarnaar wordt verwezen, toegerekend worden. Immers, de rechthebbende heeft door het niet treffen van beschermingsmaatregelen bijgedragen aan het (voortijdig)openbaar maken van de content. Hierdoor is er door de rechthebbende impliciet toestemming gegeven om de content te raadplegen [15].

Wij hebben hierboven twee casus geschetst waarmee we het onderscheid tussen de omstandigheden kunnen verduidelijken die leiden tot het oordeel of al dan niet sprake is van een inbreuk. In de praktijk zal dit niet in iedere situatie op voorhand duidelijk zijn. Gedacht kan worden aan een situatie waarin de content door de rechthebbende middels een wachtwoord slechts voor een beperkte doelgroep toegankelijk is gemaakt, maar iemand die behoort tot die doelgroep uit onwetendheid naar deze content linkt, waardoor ook anderen erbij kunnen. In dat geval heeft de rechthebbende wel de nodige beschermingsmaatregelen getroffen en is voor een derde die vervolgens ook naar deze content linkt niet duidelijk dat deze uit een niet voor een ieder toegankelijke bron afkomstig is. Of in een dergelijk geval gesproken kan worden van inbreuk is op voorhand lastig te beoordelen. Wij zijn van mening dat in een dergelijke situatie een inbreuk wel zou moeten worden aangenomen. Het feit dat de rechthebbende in dit geval wel voldoende beschermingsmaatregelen heeft genomen, zou in dit geval zwaarder moeten wegen. De rechthebbende kan immers niet worden verweten dat hij onvoldoende heeft gedaan om te voorkomen dat de content uiteindelijk alsnog voor het gehele internetpubliek toegankelijk is gemaakt.

Naast de vraag of er beschermingsmaatregelen zijn getroffen op de website, is het ons inziens ook noodzakelijk om na te gaan welk publiek de auteursrechthebbende voor ogen heeft gehad. Oftewel, is er op grond van het subjectieve criterium sprake van een nieuw publiek? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, wordt er een parallel getrokken met de Britt Dekker zaak[16]. Rechtbank Amsterdam oordeelde met het subjectieve criterium en kwam tot de conclusie dat de gemiddelde 230.000 dagelijkse bezoekers van de GeenStijl website moeten worden gezien als een nieuw publiek [17]. Immers, de fotoreportage van Dekker was nog niet gepubliceerd door Playboy. Bovendien heeft Playboy GeenStijl gebeld met het verzoek om de foto’s niet op het internet te plaatsen [18]. Dit laatste zonder resultaat. Het moge duidelijk zijn dat toestemming van Playboy ontbrak. Doordat GeenStijl hyperlinkte naar de foto’s op haar website werd een vrij grote en onbepaalde kring van internetgebruikers bereikt. Hierdoor werd er een ander publiek bereikt dan dat de auteursrechthebbende voor ogen heeft gehad [19].

Het Hof Amsterdam was het oneens met de rechtbank, vernietigde de uitspraak en motiveerde haar oordeel aan de hand van het objectieve criterium [20]. Kennelijk kan er in een dergelijke situatie niet een eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag of al dan niet sprake is van een inbreuk. Wij zijn van mening dat het objectieve criterium geen soelaas biedt, omdat dit criterium te weinig rekening houdt met de belangen van de auteur.

Ook in de minder duidelijke gevallen kiezen wij ervoor om het subjectieve criterium toe te passen, omdat er anders afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van een werk van de auteursrechthebbende. Uiteindelijk gaat het erom dat er een gerechtvaardigde balans wordt gevonden tussen de exclusieve rechten van de auteur enerzijds, en de ‘free flow of information’ anderzijds. Het mag dan wel zo zijn dat er op het internet heel veel werk is te vinden zonder toestemming van de auteursrechthebbende [22] en dat de alles-moet-kunnen-ideologie van het internet moet worden gewaarborgd [23], maar in de huidige informatiesamenleving is het ook belangrijk dat de investeerders van de informatieproducten worden aangemoedigd om te blijven investeren en dat de makers van een werk worden beloond voor hun creatieve werk. Geld verdienen en het bevorderen van de cyclische innovatie is de spil van dit proces. Met als resultaat de opbouw van de culturele identiteit.

Conclusie
Uit dit artikel blijkt maar weer hoe moeilijk het Hof van Justitie het heeft in dit soort zaken. Uiteindelijk komt het allemaal op hetzelfde neer: tot een gerechtvaardigde beslissing komen. De weg naar deze uitkomst kan op verschillende manieren worden beargumenteerd.

Aan de ene kant kan het objectieve criterium worden gehanteerd bij de oplossing van het geschil tussen Sanoma en GeenStijl. Vanuit dat perspectief vindt alleen een auteursrechtelijke openbaarmaking plaats op het moment dat de content voor het eerst online wordt geplaatst en dus toegankelijk wordt voor het hele internetpubliek. Er kan namelijk niet van de hyperlinker verwacht worden telkens na te gaan of de content waarnaar gelinkt wordt wel rechtmatig geplaatst is. Dit is niet alleen een enorme opgave voor de gemiddelde internetgebruiker, het gaat ook nog in tegen een van de basisprincipes waar het internet op gebouwd is: free flow of information. Om mogelijke problemen met malafide websites die hier misbruik van willen maken te voorkomen, kan worden gekeken naar de onrechtmatige daad. Deze oplossing is echter niet gereguleerd op Europees niveau en moet dus per lidstaat apart bekeken worden. Daarom is het wenselijk om in dat soort gevallen aansluiting te zoeken bij het auteursrecht: als een bedrijf een bedrijfsmodel hanteert dat gericht is op het maken van winst enkel door het faciliteren van de verspreiding van illegale content, dan kan de rechter aansluiting zoeken bij de subjectieve benadering met als gevolg dat deze actie een auteursrechtelijke openbaarmakingshandeling oplevert. In dat geval weegt het belang van de auteursrechthebbende zwaarder dan de free flow of information.

Aan de andere kant kan de subjectieve benadering worden gehanteerd. Voor deze benadering is doorslaggevend welk publiek de rechthebbende voor ogen had toen hij het werk op internet beschikbaar stelde of een desbetreffende toestemming gaf. Hyperlinks die verwijzen naar illegale content en waarvoor dus geen toestemming is gegeven, leveren in principe volgens deze benadering een inbreuk op het auteursrecht op. Maar ook deze benadering blijkt niet alles zaligmakend te zijn: het moet worden gecorrigeerd in sommige gevallen. De verantwoordelijkheid van de auteursrechthebbende om auteursrechtinbreuken tegen te houden dient mee te worden gewogen. Meegewogen wordt of de auteursrechthebbende beschermingsmaatregelen heeft getroffen. Indien de auteursrechthebbende dit verzuimt, dan kan impliciet ervan uit worden gegaan dat toestemming tot hyperlinken is gegeven.

Kortom, beide partijen streven naar eenzelfde doel: de veroordeling van het onrechtmatig handelen onder de sluier van het auteursrecht. Grote kans is dat het Hof dit ook zal doen. Dit zal betekenen dat de criteria van de oneerlijke mededinging worden ingelezen in de criteria van de secundaire openbaarmaking. Daarmee blijft de harmonisatie van het auteursrecht binnen de Europese Gemeenschap behouden en heeft de rechterlijke macht meer houvast door de uitbreiding van de criteria in moeilijke gevallen.

1 Playboy is een magazine van Sanoma Media Netherlands B.V.
2 HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841, r.o. 8.
3 Ibid.
4 HvJ EU 13 februari 2014, zaak C-466/12 (Svensson/Retiever), r.o. 27.
5 Ibid.
6 HvJ EU 21 oktober 2014, zaak C-348/13 (BestWater/Michael Mebes e.a.), r.o. 14.
7 Benadering geschreven door Yasar Celebi, Osiris Fecunda & Alex Garrelfs.
8 Rb Utrecht 26 augustus 2009, BREIN/Mininova.
9 Hof Den Haag 15 november 2010, B9 9218, FTD/Eyeworks.
10 D.J.G. Visser & P. de Leeuwe, Links en recht. De stand van zaken met betrekking tot hyperlinks en auteursrecht, Nijmegen: Ars Aequi 2013, p. 451, onder 2.2.
11 Benadering geschreven door Esther van Duin, Talin Ghazarian & Laura Pavias.
12 Onder heling van computergegevens wordt verstaan: niet-openbare gegevens zonder toestemming van de rechthebbende overnemen.
13 https://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2010/07/28/heling-van-computergegevens-wordt-strafbaar.html.
14 'Miljoenennota gelekt op internet', https://beveiligingnieuws.nl/nieuws/opmerkelijk/miljoenennota-gelekt-op-internet (geraadpleegd op: 14 mei 2015).
15 D.J.G. Visser, ‘Het ‘embedden’ van een You Tube-filmpje op een Hyves-pagina’, Mediaforum 2010/1, p. 14.
16 Zie voor de feiten van de zaak de inleiding van dit artikel.
17 Rb. Amsterdam 12 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7043, r.o. 4.14.
18 Rb. Amsterdam 12 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7043, r.o. 2.5.
19 Rb. Amsterdam 12 september 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX7043, r.o. 4.14.
20 Hof Amsterdam 19 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4019, r.o. 2.4.4.
21 Artikel 5 lid 2 BC.
22 HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841, r.o. 6.2.5..
23 P.B. Hugenholtz, ‘Toegang tot de bron: het auteursrecht en het internet’, Ars Aequi juli-augustus 2008, p. 581.

Prezi-presentatie

IEF 15323

Kabinet: wettelijk verankeren ECL-regeling in Auteurswet in 2016

Kabinetsreactie op onderzoeksrapport 'Extended Collective Licensing: panacee voor massadigitalisering?' 12 oktober 2015, 2015Z18899.
In Nederland worden ook zonder ECL-regeling goede resultaten behaald qua digitale beschikbaarstelling van erfgoed. Introductie van ECL draagt bij aan het optimaliseren van het wettelijk kader voor collectief rechtenbeheer. Zo kunnen erfgoedinstellingen nog beter worden gefaciliteerd bij digitalisering en online ontsluiting van hun erfgoedcollecties. Invoering van ECL past binnen het kabinetsbeleid om uit het oogpunt van cultuur- en informatiebeleid massadigitalisering en ontsluiting van de collecties door erfgoedinstellingen waar mogelijk te ondersteunen op een wijze waarbij recht gedaan wordt aan de belangen van auteursrechthebbenden op het te digitaliseren materiaal. Gelet op het gezamenlijke en herhaald verzoek van zowel erfgoedinstellingen als rechthebbenden en cbo’s bestaat er in Nederland een breed draagvlak voor invoering van een ECL-regeling. De uitwerking van een wettelijke ECL-regeling zal in 2016 ter hand worden genomen.

Vervolgproces
Het kabinet zal de voorbereidingen voor het wettelijk verankeren van een ECL-regeling in de Nederlandse Auteurswet in 2016 ter hand nemen.

IEF 15322

Henk Westbroek wil niet dat PVV 'Het Goede Doel' speelt

Bijdrage ingezonden door Benjamin van Werven, Versteeg Wigman Sprey advocaten. Henk Westbroek, zanger van de Nederlandse popgroep Het Goede Doel, wil proberen te verbieden dat 'België (Is er leven op Pluto?)' op PVV-bijeenkomsten wordt gespeeld. Het Goede Doel heeft eerder met een soortgelijk geval te maken gehad. Zo zou er volgens Westbroek 'heel veel geld' geboden zijn door 'een vervelende Vlaamse partij'. Waarschijnlijk bedoelt hij daarmee Vlaams Belang. Waarvoor precies dat geld bedoeld is, is overigens niet helemaal duidelijk, maar Het Goede Doel heeft dat toen niet geaccepteerd. Westbroek wil nu proberen om via Buma (waar hij als muziekauteur bij is aangesloten) een verbod te realiseren. Het zal niet de eerste keer zijn dat een intellectuele eigendomsrecht wordt gebruikt voor (anti)politieke doelen.

Zo heeft het schoenenmerk Louboutin op grond van haar merkrechten op haar schoenzolen het gebruik van een afbeelding van haar schoenen door Vlaams Belang al eens verboden [IEF 13141]. Het gebruik door Vlaams Belang deed onder meer afbreuk aan de reputatie van het merk omdat Louboutin niet geassocieerd wilde worden met Vlaams Belang en haar campagne.

Een ander voorbeeld is het gebruik van een (iets gewijzigde) voorkant van een Suske en Wiske stripalbum door een lid van (weer) Vlaams Belang. Daar verboden de erfgenamen van Willy Vandersteen op grond van het auteursrecht het gebruik van de tekening. Vlaams Belang stelde destijds dat er geen auteursrechtinbreuk was omdat de afbeelding als parodie zou worden gebruikt. De rechter wees dat echter af omdat de erfgenamen er een rechtmatig belang bij hadden om niet te worden geassocieerd met de discriminerende boodschap van Vlaams Belang [IEF 14169].

Ook in de Amerikaanse campagnestrijd is een aantal voorbeelden te noemen, waaronder het gebruik van Neil Young's Keep on Rockin' in The Free World door Donald Trump en Frankie Sullivan's Eye of the Tiger door Newt Gingrich. De bedoeling om een verbod te krijgen is in het geval van Westbroek niet gericht tegen een specifieke politieke partij: 'Wij hebben onze nummers niet gemaakt voor partijen, ook niet voor de VVD of PvdA'. Het is de vraag of Westbroek Buma (waarvan hij ook bestuurslid is) nodig heeft om zich tegen het gebruik door PVV te verzetten. Zo heeft hij als auteur weliswaar zijn muziekauteursrechten aan Buma overgedragen, zijn persoonlijkheidsrechten op de muziek heeft hij gehouden. Die rechten heeft een maker namelijk ook als hij zijn auteursrechten aan een ander heeft overgedragen. Persoonlijkheidsrechten houden onder meer in dat een maker zich kan verzetten tegen het gebruik van zijn werk op zodanige manier dat het wordt aangetast, waardoor nadeel aan de eer of naam van hem wordt toegebracht.

Je zou mogelijk kunnen zeggen dat als je muziek wordt gebruikt een politieke partij, terwijl je het niet wilt laten koppelen aan welke politieke partij dan ook, het werk wordt aangetast en nadeel wordt toegebracht aan de naam van de maker. Zelf vind ik het echter (ook auteursrechtelijk) sterker als je stelt dat dit gebeurt als het gebruik wordt gemaakt door een specifieke politieke partij met verwerpelijke ideeën als de PVV. De aantasting van het werk en de goede naam van de maker zal dan namelijk duidelijker aantoonbaar zijn.

IEF 15292

Voor de exploitant dient een verzwaarde motiveringsplicht te gelden bij de betwisting van de ernstige onevenredigheid

Door Mira Herens, NVJ Advocaten & juristen. Thema: Wet Auteurscontractenrecht. Op grond van artikel 25d kan de maker in rechte een aanvullende billijke vergoeding vorderen van zijn wederpartij, indien de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk. De maker draagt hiervoor, als eisende partij, de stelplicht en zo nodig de bewijslast. Betwist de wederpartij de ernst van de onevenredigheid dan dient de maker feiten aan te dragen waaruit objectief kan worden vastgesteld dat de onevenredigheid dermate ernstig is dat hij recht heeft op een aanvullende vergoeding. Dit stelt de maker voor serieuze bewijsproblemen, omdat hij geen kennis heeft – en niet kan hebben – van de prestaties van de wederpartij zoals vervaardigings- en promotiekosten. Evenmin kent de maker de opbrengst van het werk, inzage in de financiën van de wederpartij heeft hij immers niet.

De vraag rijst dan hoe de maker zijn recht efficiënt kan handhaven? Om überhaupt te kunnen beargumenteren dat sprake is van een ernstige onevenredigheid moet de maker op zijn minst feiten omtrent de opbrengst hebben. Een begrip dat de wetgever niet verder heeft gedefinieerd, helaas. Ook moet de maker feitelijk bewijs hebben waaruit de omvang van de prestatie van de wederpartij kan worden afgeleid. Deze informatie over opbrengst en prestatie is alleen bekend bij de wederpartij, die ‘zit’ als het ware op informatie die essentieel is voor de maker. In een procedure kan de maker zijn stelling dus nauwelijks feitelijk onderbouwen. Het gevolg is dat de exploitant de betwisting ook niet concreet hoeft te onderbouwen, tussen stelplicht en betwisting bestaat immers een wisselwerking. Hoe concreter de stelling, hoe concreter de betwisting. Aangezien de maker zijn stelling nauwelijks feitelijk kan onderbouwen, kan de exploitant volstaan met het zogenaamde nee, want verweer. Nee, de maker heeft geen recht op een aanvullende vergoeding, want de onevenredigheid is niet ernstig. Ingevolge artikel 150 Rv is het vervolgens de maker die hiervan de bewijslast draagt.

Onevenredigheid, zo de maker die al aannemelijk kan maken, is niet voldoende. Het moet gaan om ernstige onevenredigheid waarmee de wetgever heeft bedoeld, zo vermeldt de memorie van toelichting, dat de exploitant genoegzaam in de gelegenheid wordt gesteld om de gedane investering terug te verdienen. Die investering is bij de maker onbekend waardoor hij de ernst van de onevenredigheid nimmer kan bewijzen. De maker verkeert dus direct in bewijsnood en zal zijn vordering zien stranden omdat de feiten onvoldoende vaststaan. De bestsellerbepaling is één van de instrumenten die de wetgever heeft ingevoerd ter versteviging van de positie van de maker. Het is dan redelijk en wenselijk dat de bewijslast van de maker wordt verlicht door bij de betwisting de motiveringsplicht van de exploitant te verzwaren.

Dit betekent dat de exploitant voldoende feitelijk gegevens moet verstrekken ter motivering van zijn betwisting van de ernst van de onevenredigheid, teneinde de maker aanknopingspunten te verschaffen voor bewijslevering van zijn stelling. Het gaat erom dat de maker voldoende gegevens krijgt aangereikt, zodat hij zijn vordering behoorlijk kan onderbouwen. Dat dienen ten minste gegevens te zijn over de opbrengst van het werk en over de gedane investeringen voor de exploitatie van dat werk. Met deze gegevens kan de maker zijn stelling onderbouwen dat sprake is van een ernstige onevenredigheid, bijvoorbeeld door te stellen dat de gedane investeringen bij de gerealiseerde opbrengst genoegzaam zijn terugverdiend. Verstrekt de exploitant dergelijke informatie niet of niet voldoende – waardoor de maker dus onvoldoende aanknopingspunten heeft – dan kan de rechter daar de consequentie aan verbinden dat de stelling van de maker niet voldoende gemotiveerd is betwist, ergo: de ernst van de onevenredigheid staat dan vast.

Om deze reden is de verzwaarde motiveringsplicht te verkiezen boven een algemene informatieplicht voor de exploitant waarvoor deze ‘sanctie’ niet geldt. In die situatie heeft de exploitant namelijk baat bij het verstrekken van ingewikkelde informatie – denk aan ondoorzichtige begrotingen – die het de maker nog steeds zeer moeilijk maakt om zijn stelling te onderbouwen waardoor de bewijsnood feitelijk blijft bestaan.

Anders gezegd, bij de verzwaarde motiveringsplicht heeft de exploitant belang bij het verstrekken van heldere informatie. Wil de maker zijn recht op de bestellersvergoeding efficiënt kunnen handhaven dan is het wenselijk de motiveringsplicht van de exploitant te verzwaren.

IEF 15296

Aap claimt copyright

Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. Amerika blijft het land van de onbegrensde mogelijkheden. Vorige week maandag spande een aap een rechtszaak aan om de auteursrechten van een foto op te eisen. Een aap? Ja, een levensechte makaak uit de oerwouden van Indonesië.

APEN-SELFIE
Even wat voorgeschiedenis. Toen fotograaf David Slater in 2011 op het eiland Sulawesi een groep makaak-apen wilde fotograferen, ging één van de apen er in een onbewaakt ogenblik met zijn toestel vandoor. Het beest schoot een aantal foto’s, waaronder een prachtige selfie. Sindsdien claimt Slater de auteursrechten op deze selfie en vraagt hij geld voor elke nieuwe publicatie van de foto.

APEN-AANKLACHT
Daar is de PETA, People for Ethical Treatment of Animals, het niet mee eens. PETA heeft nu namens de aap, die inmiddels Naruto wordt genoemd, een rechtszaak aangespannen. Bovenaan de dagvaarding wordt Naruto daadwerkelijk als eiser genoemd. De aap claimt niet alleen de auteursrechten van de foto, maar eist ook een fikse schadevergoeding.

PUBLIEK DOMEIN?
Er ligt nu een aantal interessante vragen op het bordje van de rechter. Kan een aap wel een rechtszaak aanspannen? Liggen de rechten op de foto nu bij Slater, de eigenaar van het toestel, of toch bij Naruto? Of vallen ze misschien gewoon in het publieke domein?

Dit artikel werd eerde gepubliceerd in NRC Handelsblad Aap Naruto eist schadevergoeding NRC 30-09-2015

IEF 15288

CvTA Toezicht op Collectief Beheer Auteurs- en naburige rechten 2014

Uit de samenvatting: Tweede toezichtjaar nieuwe Wet toezicht De gewijzigde Wet toezicht ging per 1 juli 2013 in. Derhalve is 2014 het tweede (en eerste volledige) jaar waarin het College toezicht heeft gehouden op basis van deze nieuwe wet op de sector van het collectief beheer van auteurs- en naburige rechten. Evenals in 2013 stonden in dit toezichtjaar totaal 17 collectieve beheersorganisaties (CBO’s) onder toezicht. In juli 2014 heeft het CvTA de Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) geadviseerd ook de collectieve beheersorganisatie voor de inning en verdeling van auteursrechtelijke gelden betreffende de vertoning van filmwerken van de onafhankelijke producenten, StOPnl, onder het toezicht te plaatsen. StOPnl int sinds eind 2012 namens de onafhankelijke filmproducenten gelden bij kabelmaatschappijen (o.a. Ziggo, UPC, KPN) en heeft daarmee de rol van de CBO SEKAM (Stichting tot Exploitatie van Kabeltelevisierechten op Audiovisueel Materiaal) overgenomen. Ondanks bezwaren van StOPnl, zo zou het onder meer niet gaan om de inning van auteursrechtgelden, heeft de Minister van VenJ op 10 november 2014 StOPnl als CBO onder toezicht aangewezen (Staatsblad 2014, nr. 435). Hiertegen is StOPnl nog in 2014 in bezwaar gegaan. Inmiddels is er uitspraak gedaan. Per 1 januari 2015 staat StOPnl onder het toezicht van het College.

Ontwikkelingen in en rond het collectief beheer Ook in 2014 stond de sector van het collectief beheer van auteurs- en naburige rechten onder druk van verschillende economische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Een aantal belangrijke ontwikkelingen voor de context waarin de sector functioneerde was in 2014:

A. Toenemende online verspreiding van muziek, film en literatuur. Met de veranderende markt dienen de CBO’s hun organisaties aan te passen aan de ontwikkelingen van bijvoorbeeld Video-on-demand (o.a. Uitzending gemist, Netflix) en streamingdiensten, zoals Spotify en Itunes. Voor onder andere Buma Stemra betekende dit dat zij in toenemende mate heeft ingespeeld op de gefragmentariseerde en complexe Europese markt. Op de nieuwe Europese regelgeving die in 2014 is vastgesteld (kort- weg: de Richtlijn Collectief Beheer) en naar verwachting begin 2016 vertaald zal worden naar nationale regelgeving voor de zogeheten multi-territoriale licentieverlening in de online markt zullen de CBO’s moeten inspelen. Buma Stemra doet dit onder andere door samen te werken met Europese partners in samenwerkingsinitiatieven zoals ICE (International Copyright Enterprise), waarbij een gezamenlijke (internationale) database wordt opgezet voor een efficiënter rechtenbeheer om daarmee beter de internationale concurrentie te kunnen aangaan.

B. Flexibel Rechtenbeheer: Een tweede belangrijk element uit de in 2014 door de EU vastgestelde Richtlijn collectief beheer betreft het verankeren van vrijheden van rechthebbenden om hun rechten of categorieën van rechten bij een CBO onder te brengen of zelf te beheren. Naar aanleiding van een interventie door de ACM (Autoriteit Consument en Markt) in 2014 en in aanloop naar de implementatie van de EU Richtlijn begin 2016 maakt Buma Stemra het voor auteurs vanaf 1 januari 2015 mogelijk om vijf categorieën rechten (Podia/Events, RTV & Simulcasting, Achtergrondmuziek, Mechanisch en Online) uit te sluiten van het collectieve beheer. De auteur kan dus in de praktijk kiezen om voor één bepaald werk bijvoorbeeld de radio- en tv-rechten door Buma Stemra te laten beheren en de online rechten zelf te innen.

C. Schikkingen Staat Vergoedingen Thuiskopie: Eind 2014 hebben de Staat en Stichting de Thuiskopie hun geschil over de hoogte van de thuiskopieheffing over de periode 2007-2012 beëindigd. De Staat betaalde de Stichting de Thuiskopie een schadevergoeding van € 33,5 mln. over deze periode ter compensatie voor het onterecht ‘bevriezen’ van de thuiskopieregeling voor mp3-spelers (o.a. smartphones en tablets) en harddiskrecorders. Deze werden in de regeling 2007-2012 uitgesloten van een vergoeding. In de nieuwe regeling, die per 1 januari 2013 van kracht is geworden, worden naast de al langer bestaande vergoedingen voor ongebruikte cd’s en dvd’s, wel vergoedingen voor bijvoorbeeld computers, smartphones en tablets geïnd. Eén en ander volgde op een aantal juridische procedures tegen de Staat. Niet alleen Stichting de Thuiskopie startte in 2009 een juridische procedure tegen de Staat, maar ook Norma (de CBO voor de naburige rechten van uitvoerend kunstenaars, acteurs en musici) startte afzonderlijk een dergelijke procedure tegen de Staat. Met Norma schikte de Staat voor een bedrag van € 10 mln. over de periode 2007- 2012. De schikking heeft het incassovolume van Stichting de Thuiskopie in 2014 (€ 69 mln.) aanzienlijk doen toenemen ten opzichte van 2013 (€ 31 mln.). Een gedeelte van deze incasso is eind 2014 ook direct uitgekeerd, zodat de incasso in 2014 bij de CBO’s die gelden ontvangen van Stichting de Thuiskopie ook aanzienlijk toenam. Van de schadevergoeding van € 33,5 mln. is € 15 mln. uitgekeerd onder rechthebbenden via verdelende CBO’s. Een bedrag van € 18,5 mln. van deze schadevergoeding is in 2014 nog niet verdeeld. Stichting de Thuiskopie heeft in 2014 overigens gelden gereserveerd voor mogelijke claims voortkomend uit andere juridische procedures en kon nog geen gelden uitkeren afkomstig uit de incasso van de nieuwe regeling (per 1 januari 2013) omdat een nieuwe verdeelsleutel hiervoor nog niet is vastgesteld.

D. Andere juridische procedures rond Stichting Thuiskopie en de thuiskopieregeling: Naast een geschil tussen de CBO’s en de Staat over de thuiskopieregeling, lopen er al enkele jaren verschillende juridische procedures tussen de betalingsplichtigen (de industrie van cd’s/dvd’s en mp3-spelers) en Stichting de Thuiskopie. De industrie is van oordeel dat zij al jaren teveel betaalt voor de thuiskopieheffing en is van mening dat niet betaald behoeft te worden voor het maken van kopieën uit illegale bron, waardoor feitelijk een correctie zou moeten plaatsvinden op de hoogte van de heffing. Verder is zij van mening dat alleen betaald behoeft te worden voor privégebruik, niet voor het maken van kopieën voor zakelijk gebruik, hetgeen eveneens zou moeten leiden tot een minder hoge heffing. In april 2014 heeft het EU Hof uitspraak gedaan dat de thuiskopieheffing niet bedoeld kan zijn voor kopiëren uit illegale bron. Dit heeft onder andere tot gevolg gehad dat in de nieuwe Thuiskopieregeling, die vanaf 1 januari 2015 van kracht is, hiermee rekening wordt gehouden. Verder hebben de juridische procedures tot gevolg dat Stichting de Thuiskopie reserves uit de incasso aanhoudt voor eventuele claims van de industrie voor heffingen in het verleden. Overigens hebben sommige producenten en importeurs van ‘geluid- en beelddragers’ in het verleden maar een gedeelte van de heffing betaald. Dit is voor Stichting de Thuiskopie aanleiding geweest jegens hen een juridische procedure te starten. Al met al kan deze onzekere situatie rond Stichting de Thuiskopie, vooral als gevolg van de vele juridische procedures, niet te lang blijven bestaan, omdat rechthebbenden ervan uit moeten kunnen gaan dat Stichting de Thuiskopie onbelemmerd zijn werk moet kunnen doen.

E. Kabelgelden: In 2014 werd voortgang gemaakt met de voorbereiding van een nieuwe ‘auteurscontractenwet’. Deze wet maakt het mogelijk dat de makers van film- werken (scenarioschrijvers, regisseurs en acteurs) rechtstreeks recht hebben op een billijke vergoeding van exploitanten (o.a. kabelaars UPC, Ziggo, KPN), naast ‘het vermoeden’ van overdracht van dergelijke rechten naar de filmproducent. Deze wet beoogt een eind te maken aan de situatie zoals die eind 2012 is ontstaan als gevolg van een rechterlijke uitspraak. Als gevolg van deze uitspraak staakten de kabelaars hun vergoedingen aan de regisseurs en scenarioschrijvers (vertegenwoordigd door respectievelijk Vevam en Lira). Hierop startten Vevam, Norma en Lira juridische procedures, naast de komst van de nieuwe auteurscontractenwet. De nieuwe auteurscontractenwet is eerst in februari 2015 door de Tweede Kamer vastgesteld en heeft kracht vanaf 1 juli 2015, zodat deze nog geen betekenis had voor de incasso in 2014. Lira, Vevam en Norma zullen zo mogelijk via juridische procedures of via onderhandeling trachten de gemiste incasso over 2013 en 2014 alsnog te realiseren. Het CvTA zal hierover zo mogelijk in het jaarrapport 2015 verslag doen.

F. Reprorechtgelden: In 2014 heeft Stichting Reprorecht uitvoering gegeven aan een nieuwe regeling voor vergoedingen voor fotokopiëren (bestaand) en digitaal kopiëren (nieuw) die per 1 januari 2013 van kracht werd. Hiertoe werd in 2013 overeenstemming bereikt met VNO-NCW en MKB-Nederland. Gelet op het feit dat Stichting Reprorecht bij het bedrijfsleven éénmaal per twee jaar incasseert en de incasso over de periode 2013/2014 in 2013 vertraging opliep, is deze incasso in 2014 uitgevoerd. Dit heeft niet alleen tot een forse stijging van de incasso van Reprorecht geleid (€ 21 mln. in 2014 ten opzichte van € 12 mln. in 2013), maar ook bij CBO’s die gelden ontvangen van Stichting Reprorecht, zoals Lira (schrijvers) en Pictoright (beeldmakers).

G. Buma/Stemra: Het aandeel van de incasso van Buma/ Stemra in het geheel van incasso van het collectief beheer van auteurs- en naburige rechten is ook in 2014 fors. Het aandeel van Buma/Stemra in de totale incasso van de 17 collectieve beheersorganisaties (circa € 421 mln. in 2013) bedraagt ruim € 190 mln.; ruim 45%. De incasso van Buma (openbaarmakingsrechten) stijgt al enige jaren als gevolg van toenemende inkomsten uit radio en tv en online (streamingdiensten zoals Spotify en Netflix). De totale incasso van Buma bedraagt circa € 158 mln. in 2014. Hoewel de incasso van Stemra (reproductierechten) gestaag daalt als gevolg van een verschuiving in het gebruik van traditionele dragers (cd en dvd) naar digitale producten en een verschuiving binnen de digitale producten van downloaden naar streaming, is de incasso van Stemra licht gestegen (€ 32 mln. in 2014 t.o.v. € 28 mln. in 2013). Dit is een gevolg van het ‘Thuiskopie-effect’. Al met al staat het businessmodel van Stemra al enige jaren onder druk. Eerder aangelegde reserves raken op. Het CvTA volgt met belangstelling de koers die het bestuur van Buma/Stemra uitzet voor de toekomst van Stemra. Tegen deze achtergrond heeft het CvTA het functioneren van de 17 CBO’s voor het tweede jaar integraal getoetst ten opzichte van de normen waaraan deze organisaties dienen te voldoen. Hierdoor is een vergelijking tussen de CBO’s onderling, maar ook ten opzichte van het voorafgaande jaar (2013) mogelijk. Net als in 2013 deden zich vele veranderingen in en rond de sector voor. Met name de ontwikkelingen rondom de Stichting de Thuiskopie en de kabelgelden (die in 2015 in wetgeving resulteerde) hebben een positieve invloed op de sector gehad en heeft een aantal CBO’s (Vevam, Lira, Norma) die in 2013 nog zwaar onder druk stonden ‘lucht gegeven’. In 2014 voldoen veel CBO’s al in grote mate aan de vereisten van de in 2013 ingevoerde wet, maar aanpassingen blijven noodzakelijk ook ten aanzien van de beheerskosten. Niet alleen om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen in de markt voor het collectief beheer van auteurs- en naburige rechten, maar ook om ‘klaar te staan’ voor de nieuwe eisen als gevolg van de EU-Richtlijn collectief beheer die in 2016 zal worden geïmplementeerd. Het CvTA dankt de CBO’s en brancheorganisatie VOI©E voor de inspanningen die zij in 2014 en na afloop van dat boekjaar in 2015 hebben geleverd om voor de 2e maal een ‘Staat van de sector van het collectief beheer’ te kunnen presenteren. Hieronder zijn de hoofdlijnen van het toezicht op deze organisaties in 2014 weergegeven.

IEF 15281

Journalist, doe het: sue them!

Door Anthon Keuchenius, Freelance journalist. Een half jaar geleden berichtte ik hier [Auteursrechtdebat] in een columnpje over de diefstal van 235 letters van mij door Distrifood, nota bene een betaalsite van Reed/Elsevier; ze hadden een artikeltje gejat, op klaarlichte dag, inclusief een tikfout. De bescheiden factuur die ik hun daarop toezond -gemotiveerd met de gekopieerde tikfout- betaalden ze niet. Ook op de herinnering hoorde ik niets. Daarna zond ik hun in al mijn onnozelheid nog een kopie van de boze column toe, in de hoop op berouw. Hadden ze er met €80 van af geweest. Weer niets.

Acht IE-advocaten reageerden wel op de oproep verstopt in de column, hulde. Minder hulde voor mijn beroepsvereniging Lira, die -dacht ik- pal zou staan voor hun raison d’être: het auteursrecht. Mis gedacht. Omdat de kosten de baten wel eens zouden kunnen overstijgen durfden ze het opnieuw niet aan.

De koene IE-advocaat die ik uitkoos -Margriet Koedooder, what's in a name- durfde Reed/Elsevier wel een strenge brief te schrijven. En ontving daarop per kerende elektronische post bericht van de bedrijfsjurist, die zich uitputte in excuses. De factuur had allang betaald geweest, zou die niet zijn zoekgeraakt in de administratie. Jokkebrokken.

Daarop volgde nog een halfhartige, en toch weer deels geslaagde poging het bedrag op de gemotiveerd verhoogde factuur te laten zakken, daar het gat tussen €80 en €750 zo groot was. Reed bood €500, we gingen akkoord met €600, zodat de kosten van mijn onbaatzuchtige advocaat -tussen twee haakjes met een uurtarief waar een journalist dagen voor werkt- nog bijna gedekt zijn.

De overwinning smaakt zoetzuur. Zoet omdat we als een David -niet met de katapult maar met de pen- reus Reed/Elsevier eerst op het schavot en toen nog op de knieën dwongen. Maar ook zuur, omdat het akkefietje uren, zoniet dagen gekost heeft en een schamele €160 opbracht. Anderzijds, je hoeft niet alles te kwantificeren, in geld.

Want misschien is het een illusie, maar ik heb toch het idee dat ze nu bij Reed iets beduchter zijn voor dat schavot en de aan diefstal verbonden kosten. Daarom is de boodschap aan de collega’s; go for it, sue them. Zolang je kruimeldiefstalletjes onbestraft laat, blijven de dieven toeslaan. Als kinderhandjes in de koektrommel.

Anthon Keuchenius

IEF 15226

Uitkomst van de stellingen Symposium Wet Auteurscontractenrecht

Tijdens het drukbezochte symposium [details - voorbereiding] over de nieuwe Wet Auteurscontractenrecht onder leiding van Dirk Visser is een aantal stellingen voorgelegd aan de deelnemers, waaronder advocatenkantoren, collectieve belangenbehartigers, mediabedrijven en geleerden. Verschillende onderwerpen als billijke vergoeding, aanvullende billijke vergoeding, niet gebruik, onvoldoende exploitatie en filmauteurscontractenrecht zijn door een viertal panels de revue gepasseerd. Bij elke stelling is gediscussieerd en is er gestemd: zie hier de stellingen en de stemmingsuitslag.

Mocht u in verband met een stelling (of uitkomst) willen reageren kunt u een ingezonden bericht sturen naar (Lotte Anemaet). Binnen de rubriek Auteursrechtdebat is nog ruimte voor kwalitatieve discussie met inhoud.

Wanneer u niet op het symposium aanwezig kon zijn, en meer over de nieuwe Wet Auteurscontractenrecht en andere actuele onderwerpen te weten wilt komen, kunt u zich aanmelden voor de themamiddag Muziek & IE van dinsdag 22 september. In korte tijd wordt u op de hoogte gebracht van de nieuwe Wet Auteurscontractenrecht, soundsampling, (embedded) hyperlinken en streamen. Aansluitend is er een netwerkborrel waar uiteraard verder gediscussieerd kan worden.

IEF 15215

Copyright tegen aggressieve Mickey?

Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. Amsterdam mag dan worstelen met de overlast door de stroom aan toeristen, in New York kunnen ze er ook wat van. Met name rond Times Square wordt de stad geconfronteerd met de ongewenste neveneffecten van het massatoerisme. Het populaire plein stikt van dames en heren verkleed als Mickey Mouse, Cookie Monster of Spider Man, met wie je voor een paar dollar op de foto kunt.

KNOKPARTIJEN EN ONZEDELIJK BETASTEN
Dat Times Square een beetje op Disneyland begint te lijken is op zich niet het probleem, maar wel dat de stripfiguren zich in toenemende mate misdragen. Bijna elke dag is er wel weer een relletje. De ‘characters’ reageren vaak agressief als een toerist een foto neemt zonder te betalen en onlangs raakte Spider Man zelfs verwikkeld in een knokpartij voor de speelgoedwinkel van ToysRUs. En het kan nog erger. Cookie Monster blijkt recent een tweejarige kleuter een draai om zijn oren te hebben gegeven omdat zijn ouders weigerden 2 U$ te betalen voor een foto en zowel Super Mario als Woody uit Toy Story werden opgepakt wegens het onzedelijk betasten van enkele dames.

COPYRIGHT DISNEY
Voor burgemeester Bill de Blasio en politiecommissaris William Bratton is de maat nu vol. Niet alleen hebben de heren eind augustus de komst van een speciale task force aangekondigd, ze hebben ook de hulp ingeroepen van Disney en Marvel, die de rechten op veel van de stripfiguren bezitten. Volgens Bratton kunnen deze bedrijven met een beroep op hun copyrights heel effectief optreden tegen mensen in Mickey- of Spiderman-pakken. Disney laat zich echter niet voor dit karretje spannen. Het bedrijf heeft blijkbaar geen zin om de boeman te spelen en zegt dat het bovendien al jaren tevergeefs met de autoriteiten in New York in gesprek is over een wet die deze illegale stripfiguren moet verplichten zich te registreren en te identificeren. Vooralsnog komen New York en Disney er niet uit en blijft Mickey Mouse op Times Square dus nog even lekker knijpen en knokken.

Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad New York strijdt tegen misdragende stripfiguren NRC 4-9-2015

IEF 15194

Nummer Shakira toch geen plagiaat

Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. Dat moet een enorme opluchting zijn voor zangeres Shakira. Haar nummer Loca uit 2010, waarvan ruim 5 miljoen exemplaren over de toonbank gingen, is toch geen plagiaat. Dat heeft de rechtbank in New York vorige week bepaald.

KOPIE
Precies een jaar geleden had dezelfde rechtbank nog vastgesteld dat Loca een kopie was van het nummer Loca Con Su Tiguere van de Dominicaanse zanger Ramon Arias Vazquez. In de procedure in 2014 tegen Shakira’s platenmaatschappij Sony, had Vazquez een cassette overgelegd die aantoonde dat hij zijn lied al in 1998 had uitgebracht.

BEWIJSMATERIAAL VERVALST
Echter, op basis van nieuw bewijsmateriaal stelt de rechter nu vast dat Sony en Shakira niets te verwijten valt en dat er mogelijk zelfs sprake is van fraude. De cassette van Vazquez blijkt bij nader inzien van een type te zijn dat in 1998 nog helemaal niet op de markt was. Bovendien is de volwassen man op de cover de zanger Jhoan Gonzalez, en die was in 1998 pas negen jaar oud. Het heeft er dan ook alle schijn van dat Vazquez de zaak gewoon heeft belazerd. Vazquez en zijn platenmaatschappij zullen het vermoedelijk wel uit hun hoofd laten beroep aan te tekenen tegen deze vernietigende uitspraak.

Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad Nummer Shakira toch geen plagiaat NRC 20-8-2015