Gepubliceerd op donderdag 9 april 2026
IEF 23452
Rechtbank Rotterdam ||
26 feb 2026
Rechtbank Rotterdam 26 feb 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/kort-geding-over-toegang-tot-instagram-account-van-gezamenlijke-tandartspraktijk

Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk

Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.

De overige vorderingen worden afgewezen. Voor de gevorderde verboden om nog foto’s, video’s of andere publicaties waarin eisers herkenbaar zijn afgebeeld te plaatsen en om onrechtmatige uitingen in de gebruikersnaam, naam of bio van socialmedia-accounts op te nemen en online te houden, ontbreekt volgens de voorzieningenrechter het spoedeisend belang. De gewraakte publicaties en uitingen waren immers al verwijderd vóór het kort geding werd aangebracht, hebben hooguit twee dagen online gestaan en sinds 2 januari 2026 is niets meer gepubliceerd, zodat een reële dreiging van herhaling niet aannemelijk is. Daarnaast zijn deze verbodsvorderingen te onbepaald geformuleerd. Ook de gevorderde termijn voor het instellen van de hoofdzaak wordt afgewezen, omdat een dergelijke voorziening alleen past in intellectuele-eigendomszaken, terwijl deze zaak volgens de voorzieningenrechter in de kern geen IE-zaak is, maar een zaak over gestelde onrechtmatige publicaties en uitingen. Om die reden is ook art. 1019h Rv niet van toepassing. Hoewel [eisers] grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, compenseert de voorzieningenrechter de proceskosten, omdat [gedaagde] is blijven ontkennen betrokken te zijn geweest bij het verwijderen van de foto’s en video’s en het wijzigen van de accountnaam en accountomschrijving, terwijl voor die betrokkenheid volgens de rechter sterke aanwijzingen bestaan.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

4.9.

[gedaagde] ontkent niet dat op 31 december 2025 en op 1 januari 2026 ontmoetingen tussen hem en de broer van [eiser sub 2] plaatsvonden en dat hij op 2 januari 2026 het betreffende telefoongesprek met de broer van [eiser sub 2] voerde. Hij betwist de inhoud van de betreffende gesprekken ook niet. Dat maakt dat voldoende aannemelijk is dat de ontmoetingen en het telefoongesprek hebben plaatsgevonden en dat, gelet op de inhoud van deze gesprekken, voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het Instagram-account heeft verwijderd, de accountnaam en gebruikersomschrijving heeft gewijzigd en dus ook dat [gedaagde] toegang heeft tot het Instagram-account.

4.10.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben onweersproken betoogd dat [eiser sub 1] en [gedaagde] het Instagram-account gezamenlijk hebben aangemaakt en dat [eiser sub 1] en [gedaagde] op dit moment beiden eigenaar zijn van de tandartspraktijk. Gelet hierop zijn zowel [gedaagde] als [eiser sub 1] gerechtigd tot de toegang en het gebruik van het Instagram-account. De primair onder i gevorderde overdracht van het Instagram-account voert daarom te ver. Overdracht van het Instagram-account door [gedaagde] aan [eiser sub 1] betekent immers dat [gedaagde] na die overdracht geen toegang meer heeft tot het Instagram-account. Aangezien [eiser sub 1] en [gedaagde] (op dit moment nog) gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, is dat niet redelijk. Die vordering wordt daarom afgewezen. [gedaagde] moet wel binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, zodat beiden toegang hebben tot het Instagram-account. [gedaagde] heeft nog betoogd dat niet hij maar [naam bedrijf] B.V. de eigenaar is van het Instagram-account en dat daarom de verkeerde partij is gedagvaard. Gebleken is echter dat [gedaagde] de feitelijke macht over het Instagram-account heeft, zodat dit verweer wordt verworpen. Dat betekent dat de subsidiaire vordering onder i wordt toegewezen.

4.11.

Als prikkel tot nakoming wordt aan deze veroordeling een dwangsom verbonden. Dat wil zeggen dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van
€ 5.000,00 ineens en € 500,00 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00.