29 jan 2026
Uitspraak ingezonden door Anthony van der Planken, CO & DELARUE
Toepassing Mio/Konektra op auteursrechtelijke bescherming van meubelontwerpen door ondernemingsrechtbank Brussel
Ond.Rb Brussel 29 januari 2026, IEF 23273; IEFbe 4104; A/25/02084 (Gommaire nv tegen verwerende partij). De ondernemingsrechtbank Brussel behandelt een geschil tussen interieurmerk Gommaire en een internationale interieurspeler over vermeende kopieën van meubelontwerpen en oneerlijke marktpraktijken. Gommaire ontwerpt en verkoopt sinds 2015 diverse meubels (tafels, stoelen, zetels, bureau, modulaire sofa) en stelt dat meerdere modellen van de tegenpartij daar nagenoeg op aansluiten. Zij vraagt een stakingsbevel, dwangsommen en verregaande informatie over producenten, aantallen en prijzen; de tegenpartij vordert afwijzing én nietigverklaring van bepaalde Benelux‑modellen van Gommaire. De rechtbank maakt in haar beoordeling expliciet gebruik van het Mio/Konektra‑arrest van het Hof van Justitie (C‑580/23 en C‑795/23) van 4 december 2025. Zij benadrukt dat er geen hiërarchie bestaat tussen model‑ en auteursrecht en dat voor toegepaste kunst, zoals meubels, dezelfde originaliteitstoets geldt als voor andere werken: beschermd is de concrete uitdrukking van een eigen intellectuele schepping via vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen. Er is geen verhoogde drempel voor design, waardoor trends en stijlen niet beschermd zijn, maar een specifieke combinatie van vormen, verhoudingen en lijnen binnen zo’n trend wel auteursrechtelijke bescherming genieten. Voor de inbreuktoets neemt de rechtbank afstand van een benadering die louter focust op de totaalindruk. Doorslaggevend is of de creatieve elementen van het beschermde werk op herkenbare wijze zijn gereproduceerd in het betwiste meubel. Algemene stijlverwantschap volstaat niet, terwijl evenmin kan worden volstaan met het aanwijzen van enkele detailverschillen om een inbreuk uit te sluiten.
Toegepast op de verschillende meubelmodellen oordeelt de rechtbank per ingeroepen werk afzonderlijk. Zij aanvaardt dat een deel van Gommaires ontwerpen auteursrechtelijk beschermd is en stelt vast dat bij vijf corresponderende modellen van de verwerende partij de beschermde creatieve vormgeving herkenbaar is overgenomen, zodat sprake is van auteursrechtelijke inbreuk. Voor twee andere modellen acht zij de verschillen in vormtaal en uitwerking substantieel genoeg, dan wel acht zij Gommaires stellingen onvoldoende concreet onderbouwd. Voor deze modellen wijst zij zowel de auteursrechtelijke vordering als de vordering wegens onrechtmatige nabootsing af, waarbij zij herinnert aan het Belgische uitgangspunt van vrijheid van nabootsing en het ontbreken van bijkomende begeleidende omstandigheden die de grenzen van eerlijke marktpraktijken zouden overschrijden. De rechtbank verklaart de vorderingen van Gommaire grotendeels gegrond. Voor vijf meubelmodellen stelt zij inbreuk op Gommaires auteursrechten vast en beveelt zij met onmiddellijke ingang de staking van afbeelden, aanbieden en verdelen voor zover dat gevolgen in of gericht op België heeft. De vorderingen betreffende twee andere modellen worden afgewezen, de tegenvordering tot nietigverklaring van Benelux‑modellen wordt niet‑ontvankelijk verklaard en de verwerende partij wordt veroordeeld in de proceskosten.
21. “Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft recent op 4 december 2025 (C-
580/23 en C-795/23) nog bevestigd dat or geen regel-uitzonderingsverhouding bestaat
tussen modelbescherming en auteursrecht, en dat voor utilitaire of toegepaste objecten dezelfde originaliteitsvereisten gelden als voor andere categorieën van werken. In diezelfde rechtspraak wordt benadrukt dat de originaliteitsbeoordeling in essentie betrekking heeft op het voorwerp zelf, dus op de concrete uitdrukking die aan het publiek kan worden meegedeeld, en niet op abstracte beschrijvingen of op loutere esthetische appreciaties. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden, ook externe elementen een rol kunnen spelen als indicatie: de bedoelingen van de maker tijdens het creatieve proces, de mate waarin hij of zij kon kiezen binnen de hem of haar opgelegde beperkingen, de inspiratiebronnen, het feit dat gekozen vormen reeds beschikbaar waren, de waarschijnlijkheid van in onafhankelijke gelijkaardige creatie of de erkenning van het voorwerp in professionele kringen. Dergelijke elementen zijn evenwel nooit op zichzelf beslissend en vormen geen bijkomende voorwaarde: het blijft de uitdrukking van vrije en creatieve keuzes in het object die centraal staat.”