Gepubliceerd op woensdag 14 januari 2026
IEF 23205
Rechtbanken ||
24 dec 2025
Rechtbanken 24 dec 2025, IEF 23205; ECLI:NL:RBDHA:2025:25422 ([partij A] tegen [partij B]), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/ontbinding-van-licentieovereenkomst-zonder-effect-wegens-ontbreken-van-relevante-rassen

Ontbinding van licentieovereenkomst zonder effect wegens ontbreken van relevante rassen

Rb. Den Haag 24 december 2025, IEF 23205; LS&R 2335; ECLI:NL:RBDHA:2025:25422 ([partij A] tegen [partij B]). [Partij A] is veredelaar, teler en verkoper van planten en snijheesters in de volle grond, waaronder diverse astrantia- en astilbe-rassen. [Partij B] drijft een handelskwekerij in planten en snijbloemen en houdt zich bezig met de teelt en verkoop van stekken, planten en bloemen. Vanaf het begin van deze eeuw zijn deze partijen gaan samenwerken en hebben afspraken neergelegd in een licentieovereenkomst. Hierin gaf [partij A] aan [partij B] een exclusieve licentie om een moederbestand op te bouwen en te onderhouden en om de rassen van [partij A] (hierna: de Rassen) te produceren en te verhandelen aan kwekers binnen een bepaald territorium. Op 15 oktober 2022 heeft [partij A] bij e-mail de licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, omdat [partij A] stelde dat [partij B] niet voldeed aan zijn betalingsverplichtingen en niet-tijdig de cijfers voor de royaltyberekening aanleverde. Volgens [partij A] bedroeg zijn vordering op dat moment € 284.688,08. Volgens [partij B] voldeed hij wel aan al zijn verplichtingen en heeft de ontbinding geen effect gehad waardoor de licentie in stand is gebleven. [Partij B] is hierna doorgegaan met de verkoop van de Rassen.

[Partij A] vordert in conventie onder meer een verbod op verdere exploitatie van de Rassen, diverse nevenvoorzieningen (opgave, medewerking aan controle, vernietiging, plantmateriaal), een verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgeldig was en schadevergoeding, waaronder boetes en volledige proceskosten. [Partij B] voert aan dat de Rassen nooit onder de werking van de licentieovereenkomst zijn gebracht, en vordert [partij B] in reconventie tot betaling van € 86.499,51 vermeerderd met wettelijke rente, proceskosten, nakosten en wettelijke rente over de proces- en nakosten. De rechtbank stelt dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast rust op [partij A]. Uit de licentieovereenkomst blijkt dat deze alleen van toepassing is op rassen die worden aangevuld met een bijlage I die door beide partijen is ondertekend. Voor de Rassen die [partij B] teelt voor [partij A] ontbreekt een dergelijke bijlage. Overgelegde bijlages I gaan over nadere rassen. Wel zijn de genoemde rassen in de bijlages I later omgezet naar de namen van de Rassen. [Partij A] heeft onvoldoende onderbouwd dat de in de bijlages I genoemde rassen zijn omgezet en dus dat de bijlages I betrekking hebben op de Rassen. De partijen hebben daarvoor alleen een mondelinge (licentie)overeenkomst. De rechtbank concludeert dat [partij A] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Ten aanzien van de Rassen komt [partij A] dus geen beroep toe op de bepalingen in die licentieovereenkomst. De buitengerechtelijke ontbinding, die volgt uit de schriftelijke licentieovereenkomst, heeft daardoor geen effect heeft gehad op de mondelinge overeenkomst waardoor deze nog steeds van kracht is tussen de partijen. In reconventie worden de vorderingen van [partij B] over een royaltycorrectie afgewezen, omdat [partij B] ter zake van deze stelling niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De overige schadeposten worden toegewezen tot € 52.630,18, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook veroordeelt de rechtbank [partij A] in de proceskosten.

4.10: “[partij A] heeft als productie EP06 vijf bijlages I overgelegd voor rassen met de namen ‘[ras 7]’, ‘[ras 8]’, ‘[ras 9]’, ‘[ras 10]’ en ‘[ras 11]’. Dit zijn andere namen dan de namen van de Rassen die [partij B] – zoals hij onbetwist naar voren heeft gebracht – op dit moment voor [partij A] teelt en in het recente verleden heeft geteeld, te weten de [ras 1], [ras 2], [ras 3], [ras 4]’, [ras 5] en [ras 6]. De rechtbank volgt [partij A] in zijn stelling dat de in de bijlages I genoemde namen in een later stadium zijn omgezet in namen beginnend met [rasnaam]. Deze stelling heeft [partij B] niet betwist en voor een aantal van de in bijlages I genoemde namen ook erkend. Echter, naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt dat de namen genoemd in de bijlages I uiteindelijk zijn omgezet naar de namen van de Rassen, en dus dat de bijlages I betrekking hebben op de Rassen. Weliswaar heeft [partij A] zich ten aanzien van de ‘[ras 10]’ op het standpunt gesteld dat deze later is omgezet naar [ras 1], maar deze stelling heeft hij niet onderbouwd met berichten of stukken waaruit dit blijkt en/of verklaringen die dat bevestigen. Dit had, gezien de gemotiveerde betwisting van deze stelling door [partij B], die er juist op heeft gewezen dat ‘[ras 10]’ de [ras 14] betrof die nooit in productie is genomen, wel op zijn weg gelegen.”

4.12: “De conclusie uit het voorgaande is dat [partij A] ten aanzien van de stelling dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aan bewijslevering komt de rechtbank dan ook niet toe. Daarmee is niet komen vast te staan dat de Rassen onder de werkingssfeer van de Licentieovereenkomst vallen. De rechtbank volgt daarmee het standpunt van [partij B] dat partijen met betrekking tot de Rassen hebben gehandeld op basis van een mondelinge (samenwerkings-)overeenkomst, onder andere inhoudende een mondelinge licentieovereenkomst ten aanzien van de Rassen.”

4.17: “De conclusie uit het voorgaande is dat de ontbinding geen effect heeft gesorteerd en de mondelinge (licentie)overeenkomst nog steeds van kracht is tussen partijen. Van inbreuk op de kwekersrechten van [partij A] is daarmee geen sprake. De hierop gebaseerde vorderingen 2 t/m 4 en 11 t/m 14, alsmede de nevenvorderingen 5 t/m 10, zullen daarom worden afgewezen. Nu niet is gebleken dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van enig handelen van [partij B] zullen ook de vorderingen 15 en 16 worden afgewezen. Ten slotte zal de vordering 1 worden afgewezen vanwege gebrek aan belang, nu niet gebleken is dat de Licentieovereenkomst van toepassing is op de Rassen.”