14 apr 2026
Ingezonden door Arnout Groen, Visser Schaap & Kreijger.
Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering
Hof Den Haag 14 april 2026, IEF23502; Zaaknummer 200.348.842/01 (ABMD c.s. tegen Buma Stemra). Na verwijzing door de Hoge Raad ligt de zaak tussen ABMD c.s. en Buma/Stemra opnieuw voor bij het Gerechtshof Den Haag. ABMD c.s. heeft bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma/Stemra vordert in een incident dat dit rapport buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde en de twee-conclusieregel. Het hof kwalificeert dit verzoek als een incidentele vordering en beoordeelt die aan de hand van artikel 209 Rv, waarbij het belang van een doelmatige procesvoering en het voorkomen van onnodig beslag op rechterlijke capaciteit centraal staat. Een oordeel over de toelaatbaarheid van het rapport vergt volgens het hof een inhoudelijke analyse van het dossier, die efficiënter kan plaatsvinden in het kader van de inhoudelijke behandeling, niet in een afzonderlijk incident. Het door Buma/Stemra gestelde belang om kosten voor een tegenrapport te vermijden weegt daarbij niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering; het is aan Buma/Stemra zelf om te beslissen of zij een tegenrapport laat opstellen. Het hof benadrukt dat na cassatie en verwijzing in beginsel ruimte bestaat om nieuwe producties over te leggen ter nadere onderbouwing en precisering van reeds bestaande geschilpunten, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad. De incidentele vordering wordt afgewezen en Buma/Stemra wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op 29 oktober 2026.
Na verwijzing door de Hoge Raad ligt de zaak tussen ABMD c.s. en Buma/Stemra opnieuw voor bij het Gerechtshof Den Haag. ABMD c.s. heeft bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma/Stemra vordert in een incident dat dit rapport buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde en de twee-conclusieregel. Het hof merkt dit verzoek aan als een incidentele vordering en toetst deze aan artikel 209 Rv, waarbij centraal staat of een voorafgaande behandeling “indien de zaak dat medebrengt” redelijkerwijs geboden is, mede in het licht van een doelmatige procesvoering en het voorkomen van onnodig beslag op rechterlijke capaciteit. Het hof oordeelt dat een dergelijke voorafgaande beslissing niet doelmatig is, omdat voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van het rapport een nauwkeurige inhoudelijke analyse van het dossier vereist is. Die analyse kan efficiënter plaatsvinden in het kader van de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak, en niet in een afzonderlijk incident. Het hof beslist daarmee nadrukkelijk niet reeds inhoudelijk over de toelaatbaarheid van het partijdeskundigenrapport. Het door Buma/Stemra aangevoerde belang om kosten voor een tegenrapport te vermijden, weegt volgens het hof niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering; het is aan Buma/Stemra zelf om te beslissen of zij een tegenrapport laat opstellen. Daarbij benadrukt het hof dat na cassatie en verwijzing in beginsel ruimte bestaat om nieuwe producties over te leggen ter nadere onderbouwing en precisering van reeds bestaande geschilpunten, onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad. De incidentele vordering wordt afgewezen. Buma/Stemra wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op € 1.290. De zaak wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op 29 oktober 2026
4.3 Om de vraag te kunnen beantwoorden of overlegging van het hier bedoelde rapport in strijd is met de goede procesorde en/of de twee-conclusieregel is een nauwkeurige inhoudelijke analyse van de gedingstukken nodig. Voorafgaand aan en los van de mondelinge behandeling van de zaak is voor zo’n analyse geen plaats. Dit zou immers betekenen dat het hof zich in het kader van het incident reeds vergaand in de zaak zou moeten verdiepen en later nogmaals met het oog op de mondelinge behandeling en /of de uitspraak. Een dergelijke inefficiënte zaaksbehandeling gaat ten koste van schaarse rechtelijke capaciteit en de daarmee gemoeide publieke middelen, en leidt daarmee tot ondoelmatige procesvoering. Naar aanleiding van de stelling van Buma Stemra dat met het opstellen van een tegenrapport kosten zijn gemoeid en tevergeefs zouden zijn gemaakt wanneer het hof te zijner tijd zou beslissen dat het rapport niet toelaatbaar is, overweegt het hof dat dit belang niet opweegt tegen dit belang van een doelmatige procesvoering Kosten besparing bij een procespartij is niet belangrijker dan voorkoming van het capaciteitsbeslag en kosten vergroting die daardoor bij het gerechtelijk apparaat wordt teweeggebracht. Dat niet kan worden aangenomen dat het kostenbesparingsbelang boven het doelmatigheidsbelang gaat, kan nader worden geïllustreerd aan de hand van het (ad absurdum-) voorbeeld dat een partij in een incident vordert dat de rechter ‘eerst en vooraf’ beslist dat een bepaalde stelling of verweer van de wederpartij niet relevant is, zodat zij geen kosten hoeft te maken om die stelling of dat verweer te bestrijden. Niet voor discussie vatbaar is dat een dergelijke vordering geen kans van slagen heeft. Het is, kortom, uitsluitend aan Buma Stemra om te bepalen of zij een tegenrapport wil laten opmaken.