Gepubliceerd op woensdag 29 april 2026
IEF 23509
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
29 apr 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23509; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-alfavet-en-alfavet-voor-diergerelateerde-waren-en-diensten

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.

Ook inhoudelijk faalt het beroep op schending van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals diereneigenaren en fokkers, als professionals, zoals dierenartsen; het aandachtsniveau varieert van gemiddeld voor bepaalde dierverzorgingsproducten en diervoeding tot hoog voor veterinaire waren en diensten. Omdat het oudere merk een Uniemerk is, is het relevante grondgebied de Europese Unie; voor weigering van de merkaanvraag is voldoende dat verwarringsgevaar in een deel van de Unie bestaat. Het gestelde feitelijke gebruik van het oudere merk alleen in Duitsland is daarom niet beslissend. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep de soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten correct heeft beoordeeld aan de hand van hun aard, bestemming, gebruik, distributiekanalen, publiek en complementariteit, en niet enkel op basis van de Nice-klassen. Zo vallen verschillende dierverzorgingsproducten en tandverzorgingsmiddelen onder bredere categorieën als cosmetica en dentifrices, overlapt diervoeding met de door het oudere merk gedekte categorieën, en bestaat voor de nog aan de orde zijnde veterinaire hulpmiddelen en diensten ten minste een zekere, soms lage, mate van soortgelijkheid met veterinaire preparaten of andere waren van het oudere merk. Bij de vergelijking van de tekens is doorslaggevend dat beide merken hetzelfde woordelement alfavet/ALFAVET bevatten. Dat woordelement wordt als verzonnen term zonder concrete betekenis opgevat en heeft, ondanks mogelijke associaties met “alfa” en “vet”, een normaal onderscheidend vermogen. De verschillen in hoofdletters, lettertype, kleur en eenvoudige grafische elementen, zoals driehoeken of een vierkant, zijn volgens het Gerecht decoratief en ondergeschikt. De tekens zijn daarom visueel in hoge mate overeenstemmend en fonetisch en begripsmatig identiek. Gelet op de normale onderscheidingskracht van het oudere merk, de sterke overeenstemming tussen de tekens en de identiteit of soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten, bestaat verwarringsgevaar, ook voor waren en diensten die slechts in geringe mate soortgelijk zijn en ondanks een verhoogd aandachtsniveau van een deel van het publiek. Het beroep wordt volledig verworpen. Groupvet draagt haar eigen kosten en de kosten van interveniënte alfavet Tierarzneimittel GmbH; EUIPO draagt zijn eigen kosten omdat geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

 The comparison of the signs

58      The global assessment of the likelihood of confusion must, so far as concerns the visual, phonetic or conceptual similarity of the signs at issue, be based on the overall impression given by the signs, bearing in mind, in particular, their distinctive and dominant elements. The perception of the marks by the average consumer of the goods or services in question plays a decisive role in the global assessment of that likelihood of confusion. In that regard, the average consumer normally perceives a mark as a whole and does not engage in an analysis of its various details (see judgment of 12 June 2007, OHIM v Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, paragraph 35 and the case-law cited).

59      It should be borne in mind that in determining the distinctive character of a mark and, accordingly, in assessing whether it is highly distinctive, it is necessary to make a global assessment of the greater or lesser capacity of the mark to identify the goods or services for which it has been registered as coming from a particular undertaking, and thus to distinguish those goods or services from those of other undertakings (see, by analogy, judgment of 22 June 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, paragraph 22).

60      That distinctive character must be assessed, first, by reference to the goods or services in respect of which registration has been sought and, second, by reference to the relevant public’s perception, which consists of average consumers of the goods or services in question, who are reasonably well informed and reasonably observant and circumspect (see judgment of 29 April 2004, Henkel v OHIM, C‑456/01 P and C‑457/01 P, EU:C:2004:258, paragraph 35 and the case-law cited).

61      Furthermore, where marks consist of both word and figurative elements, the former are, in principle, more distinctive than the latter, because the average consumer will more readily refer to the goods and services by quoting the name of the mark than by describing the figurative element. That applies in particular to signs whose word elements are easily recognisable and identifiable. Those word elements are the most distinctive parts of the mark, whereas the relevant public will attach little significance to the figurative elements (see, to that effect, judgment of 1 February 2023, NFL Properties Europe v EUIPO – Groupe Duval (DUUUVAL), T‑671/21, not published, EU:T:2023:33, paragraph 42).

62      In paragraphs 44 to 58 of the contested decision, the Board of Appeal compared the marks at issue, finding that they were visually similar to a high degree and that they were phonetically and conceptually identical. Furthermore, it found that the word element ‘alpha’ had a normal degree of distinctiveness, at least for part of the relevant public. The Board of Appeal also found that, even though the marks at issue differed in the ‘additional graphic representation’, that representation was of a secondary nature due to its primarily decorative purpose.

63      The applicant claims that the Board of Appeal made an error of assessment in the comparison of the marks at issue. It submits in that regard, first, that the word element ‘alfavet’ has a weak distinctive character, in so far as it consists of the elements ‘alfa’ and ‘vet’, which are descriptive or commonly used and, second, that the Board of Appeal did not properly assess the visual differences between the marks at issue, which are substantial and concern, inter alia, shape, colour, typography and graphic elements.

64      EUIPO and the intervener dispute the applicant’s arguments.