DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op vrijdag 1 mei 2026
IEF 23522
Rechtbank Amsterdam ||
29 okt 2025
Rechtbank Amsterdam 29 okt 2025, IEF 23522; ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/geen-uitzendverbod-voor-tv-programma-wel-beperking-herkenbaarheid-eiser

Geen uitzendverbod voor tv-programma, wel beperking herkenbaarheid [eiser]

Rb. Amsterdam 29 oktober 2025; IEF 23522; IT 5254 ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding vordert een betrokkene een verbod op de uitzending van een aflevering van een televisieprogramma waarin hij wordt geconfronteerd met beschuldigingen van financiële misstanden en benadeling van derden. Volgens [eiser] is de voorgenomen uitzending onrechtmatig, omdat deze zou zijn gebaseerd op onjuiste informatie en omdat hem onvoldoende gelegenheid tot wederhoor zou zijn geboden.

De voorzieningenrechter wijst het gevorderde uitzendverbod af. Voor een preventief publicatieverbod is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats, waarbij een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen het recht op bescherming van de eer en goede naam van [eiser] en de vrijheid van meningsuiting van de programmamaker, [gedaagde]. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat de uitzending beschuldigingen bevat die onvoldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. De programmamaker heeft de uitlatingen gebaseerd op verklaringen van meerdere betrokkenen, die deels zijn onderbouwd met documentatie. Dat de juistheid van deze verklaringen in dit kort geding niet definitief kan worden vastgesteld, is onvoldoende om de uitzending te verbieden. Ook het beroep op gebrekkig wederhoor faalt. De redactie heeft [eiser] meermaals benaderd met concrete vragen en hem in de gelegenheid gesteld om zijn kant van het verhaal toe te lichten. Dat dit niet in een persoonlijk gesprek heeft plaatsgevonden, maakt niet dat geen sprake is van voldoende wederhoor. De wijze waarop journalistiek onderzoek wordt ingericht valt in beginsel binnen de redactionele vrijheid. De rechter oordeelt verder dat het herkenbaar in beeld brengen van [eiser], in combinatie met de aard en ernst van de beschuldigingen, een aanzienlijke inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer kan opleveren. Gelet op de onzekerheid over de juistheid van de beschuldigingen en de mogelijke reputatieschade, weegt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn privacy in zoverre zwaarder. Daarom dient zijn gezicht in de uitzending en bijbehorende publicaties onherkenbaar te worden gemaakt. De overige vorderingen, waaronder het gevorderde uitzendverbod en aanvullende eisen met betrekking tot wederhoor, worden afgewezen. Eiser wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

4.8. Geoordeeld wordt als volgt. [gedaagde] heeft [eiser] op 24 april 2025 inhoudelijke vragen gesteld met betrekking tot het verhaal van [naam 6] , de familie [geslachtsnaam 2] (naar de voorzieningenrechter begrijpt de dochters van het echtpaar [geslachtsnaam 1] ), het echtpaar [geslachtsnaam 1] , en meer algemene vragen over [naam project] . Pas na herhaald verzoek door [gedaagde] heeft [eiser] op die vragen gereageerd, en dan ook nog eens uiterst summier. Dat [gedaagde] niet met [eiser] om de tafel heeft willen zitten maakt niet dat hij geen kans heeft gehad op wederhoor. [gedaagde] is op zich niet gehouden om met [eiser] om tafel te zitten; de wijze waarop zij haar onderzoek vormgeeft valt immers onder de journalistieke vrijheid. De geboden mogelijkheid tot wederhoor via e-mail was dus afdoende en niet is gebleken van onzorgvuldigheid in de verwerking van de summiere antwoorden die [eiser] over de e-mail heeft verstrekt. Dat volgens (de advocaat van) [eiser] nog meer vragen van [gedaagde] zouden volgen (wat [gedaagde] overigens betwist) maakt niet dat hij gerechtvaardigd achterover heeft kunnen leunen. Het had op zijn weg gelegen om zijn kant van het verhaal met [gedaagde] te delen. Dat hij dit niet (voldoende) heeft gedaan kan hij [gedaagde] niet verwijten, nu uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [gedaagde] daartoe steeds de gelegenheid heeft geboden.

4.9. Conclusie is dat het primair gevorderde uitzendverbod totdat [eiser] eerst stukken heeft mogen delen met [gedaagde] (vordering I.) zal worden afgewezen. Dat [eiser] die stukken kennelijk tot op heden nog niet heeft gedeeld is aan hem zelf te wijten. Nu de verklaringen van [naam 2] geen rol spelen in de voorgenomen uitzending zal ook vordering III. worden afgewezen.