Gepubliceerd op donderdag 5 februari 2026
IEF 23264
Hof Den Haag ||
20 jan 2026
Hof Den Haag 20 jan 2026, IEF 23264; ECLI:NL:GHDHA:2026:29 (HP c.s. tegen de Staat), https://itenrecht.minab.nl/artikelen/geen-staatsaansprakelijkheid-voor-art-81-ro-afdoening-in-thuiskopiegeschil

Geen staatsaansprakelijkheid voor art. 81 RO-afdoening in thuiskopiegeschil

Hof Den Haag 20 januari 2026, IEF 23264; ECLI:NL:GHDHA:2026:29 (HP c.s. tegen de Staat). Het gerechtshof Den Haag verwerpt het hoger beroep van HP Nederland, Dell en branchevereniging FIAR tegen de Staat, waarmee het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. De zaak draait om een vordering tot schadevergoeding wegens gestelde onrechtmatige rechtspraak: volgens HP c.s. heeft de Hoge Raad het Unierecht geschonden door hun cassatieberoep over het Nederlandse thuiskopiestelsel af te doen met een verkorte motivering op grond van artikel 81 Wet RO, zonder prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. HP c.s. betoogden dat dit in strijd was met artikel 267, derde alinea, VWEU, artikel 6 EVRM en diverse normen van Unierecht, onder meer omdat het Nederlandse stelsel zou berusten op het onjuiste licentiemodel (in plaats van het substitutiemodel), onvoldoende rekening zou houden met zakelijk gebruik en zou kunnen leiden tot overcompensatie. Het hof stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de Staat wegens rechterlijk handelen de zeer strenge Köbler-maatstaf geldt: alleen bij een kennelijk voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht kan staatsaansprakelijkheid ontstaan.

Het hof oordeelt dat van een dergelijke kennelijke schending geen sprake is. De Hoge Raad mocht aannemen dat de door HP c.s. opgeworpen vragen reeds voldoende waren beantwoord in bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie (acte clair/acte éclairé), zodat geen verplichting bestond om prejudiciële vragen te stellen. Dat de Hoge Raad gebruik heeft gemaakt van artikel 81 RO levert op zichzelf geen schending van het Unierecht of het EVRM op en impliceert dat aan de Cilfit-criteria is voldaan. Ook inhoudelijk faalt het betoog van HP c.s.: het Unierecht laat de lidstaten een ruime beoordelingsmarge bij de inrichting van het thuiskopiestelsel, waaronder de keuze voor het licentiemodel, een in beginsel ongedifferentieerde heffing en correctiemechanismen ter voorkoming van overcompensatie. Voor zover HP c.s. in hoger beroep nieuwe verklaringen voor recht vorderden, worden deze wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. De schadevorderingen worden definitief afgewezen; de Staat is niet aansprakelijk.

7.15

Of die verkorte motivering niettemin een (kennelijke) schending van het Unierecht oplevert en of de verwijzingsplicht van artikel 267 derde alinea VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 EU Grondrechtenhandvest, mede strekt tot bescherming van partijen in een procedure voor de in laatste aanleg oordelende rechter, kan hier in het midden blijven. Ook indien dat het geval zou zijn, betwist de Staat namelijk terecht dat die verkorte motivering tot enige schade kan hebben geleid bij HP c.s.

7.16

Uit artikel 81 leden 1 en 2 RO volgt dat de Hoge Raad (ook) bij toepassing van die bepaling het cassatieberoep volledig behandelt om te beslissen of het tot cassatie kan leiden. Pas als dat geval is en het bij die beoordeling bovendien niet nodig is om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, kan de Hoge Raad op grond van die bepaling beslissen om zijn motivering te beperken tot dat laatste oordeel. Uit het omstreden arrest van de Hoge Raad volgt dat hij dat ook heeft gedaan: hij licht in de eerste volzin van zijn motivering immers toe dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest van zijn strafkamer van 26 mei 2015 heeft toegelicht, lag in die motivering in dit geval tevens besloten dat hij van oordeel was dat zich in de betrokken zaak een van de drie Cilfit-situaties voordeed en dat hij de door Imation c.s. in haar cassatiemiddel opgeworpen vragen van uitleg van de ARl daarom niet hoefde te verwijzen naar het HvJ EU.

7.17

Dit betekent dat de Hoge Raad niet anders zou hebben beslist op het cassatieberoep van Imation c.s. indien de door HP c.s. gestelde onrechtmatigheid wordt weggedacht, dat wil zeggen indien de Hoge Raad zou hebben toegelicht welke van de Cilfit-situaties zich hier voordeed, en waarom.

7.18

Het betoog van HP c.s. tijdens de mondelinge behandeling dat haar schade er op dit punt uit bestaat dat zij door het handelen is afgehouden van de beoordeling door het HvJ EU van de door haar opgeworpen vragen van Unierecht stuit eveneens af op het voorgaande.

7.19

Na de mondelinge behandeling heeft het EHRM op 16 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak Gondert/Duitsland.25 Die zaak heeft betrekking op een procedure voor de Duitse burgerlijke rechter waarin het Bundesgerichtshof verlof tot het instellen van beroep heeft geweigerd nadat procespartij Gondert in zijn verzoek tot verlof had opgeworpen dat het Bundesgerichtshof prejudiciële vragen moest stellen aan het HvJ EU. Het Bundesgerichtshof heeft daarbij op grond van een bepaling uit het Duitse Wetboek van Burgerlijke Procedure volstaan met een verkorte motivering, met de toevoeging dat het de vraag had beoordeeld naar de verwijzingsplicht op grond van artikel 267 derde alinea VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof houdt een dergelijke weigering impliciet in dat het van oordeel is dat het niet verplicht is vragen te stellen op grond van die bepaling. In deze zaak heeft het EHRM beslist:
“[T]he Federal Court of Justice did not give reasons for its refusal to refer questions to the CJEU for a preliminary ruling, despite the applicant’s precise request and detailed submissions in this regard. As a consequence the applicant was not enabled to understand why his request for a referral was refused, which undermined the fairness of the proceedings. There has accordingly been a violation of Article 6 § 1 of the Convention.”26

7.20

Naar het oordeel van het hof noopt deze zaak niet tot een ander oordeel. Ook al zou uit deze uitspraak moeten worden afgeleid dat de Hoge Raad op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 EVRM gehouden was geweest om uitdrukkelijk te motiveren waarom hij geen aanleiding zag prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen, vloeit daaruit voor HP c.s. om de hiervoor uiteengezette redenen geen schade voort. Overigens heeft ook het EHRM in de zaak Gondert/Duisland de gevorderde vermogensschadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband met de geconstateerde schending van artikel 6 lid 1 EVRM.27 Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding gezien om partijen de gelegenheid te geven om zich uit te laten over de gevolgen van dit arrest voor dit hoger beroep.